Wat maakt het jaar 2016 zo bijzonder?

1 september 2016

Waarschijnlijk een heleboel dingen, maar in elk geval ook dat de eerste gedrukte editie van het Griekse Nieuwe Testament precies 500 jaar geleden verscheen. Verzorgd door niemand minder dan Erasmus, met een aantal medewerkers, en gedrukt in Bazel, bij Johannes Froben.

Kende iedereen dan Grieks?

Iedereen zeker niet, en ook verreweg de meeste theologen niet. Dat dat nu anders is hebben we voor een goed deel aan Erasmus te danken. Hij stimuleerde op allerlei manieren dat de bijbel in de oorspronkelijke talen, het Hebreeuws en het Grieks, zou worden gelezen. Eerlijk gezegd ging het Erasmus zelf vooral om het Nieuwe Testament, en het Grieks dus. Daar was hij een groot kenner van. Hebreeuws kwam hem eigenlijk maar vreemd en moeilijk voor. Hij vond zichzelf ook te oud om het nog te gaan leren.

Had zo’n Grieks Nieuw Testament wel zin?

Als het alleen het Grieks was geweest zou inderdaad bijna niemand er wat aan gehad hebben. Maar Erasmus gaf er ook een Latijnse vertaling bij, en aantekeningen waarin hij zijn methode en zijn keuzes toelichtte. Sterker nog: als je alleen de titelpagina leest, zou je niet eens kunnen weten dat de Griekse tekst er ook in stond. Hij begreep dus heel goed dat zijn echte boodschap in het Latijn moest overkomen, ongeveer zoals wetenschappers van nu in het Engels moeten schrijven om mee te tellen.

Er was toch al een Latijnse vertaling?

Jazeker: in het gebied van de Rooms-Katholieke kerk kende iedereen de bijbel al eeuwenlang alleen maar in de vorm van de Latijnse Vulgaat. Aan het einde van de vierde eeuw was Hiëronymus op verzoek van de paus eerdere Latijnse vertalingen gaan herzien. Het is trouwens wel een beetje onduidelijk hoever de bemoeienis van Hiëronymus met de tekst van het Nieuwe Testament werkelijk reikte.

Deugde die vertaling dan niet?

Nu wordt het spannend. Volgens Erasmus waren er inderdaad grote problemen met de Vulgaat, in drie opzichten.

Ten eerste was het Latijn hem te plat, te lelijk, en een beetje barbaars. Het deed hem en volgens hem vele anderen pijn aan de oren. Je mag dan wel beweren dat God zich niet om taalfouten bekommert, maar, zo zegt hij ergens, plezier schept hij er ook niet in. Hier bespeur je het programma dat Erasmus ook met zijn spreekwoorden en gesprekken nastreefde: de hele taal en cultuur op een hoger plan tillen. Natuurlijk speelt zijn eigen bijna bovenmenselijke taalvaardigheid in het Latijn ook mee.

Ten tweede: naast de taalfouten waren er ook vertaalfouten. Hoezeer de Vulgaat ook de bijbel van het Westerse christendom was, het bleef een vertaling, en die kon en moest je toetsen aan de grondtekst, en indien nodig verbeteren. Gelukkig maar dat waarschijnlijk niet alles van de grote heilige en geleerde Hiëronymus was …

Ten derde: er waren in de loop der eeuwen overschrijffouten ingeslopen. Teksten die steeds worden overgeschreven lijden nu eenmaal aan erosie, omdat kopiisten niet goed opletten of juist proberen de tekst te verbeteren terwijl dat niet nodig is.

Was iedereen Erasmus dankbaar?

De meningen waren sterk Lees deze passageverdeeld. Volgens de een zou Erasmus dankzij dit werk nooit vergeten worden – en dat is ook zo, getuige deze blog –, de ander zag er een frontale aanval op de gevestigde orde in. Voor dat laatste gaf Erasmus ook wel enige aanleiding, want hij maakte zich herhaaldelijk vrolijk over grote geleerden als Augustinus en Thomas van Aquino – om over Duns Scotus en Ockham nog maar te zwijgen – die vreemde dingen beweerden op basis van een verkeerd vertaalde en overgeleverde bijbeltekst. Maar zonder gekheid: belangrijker dan alle details is dat Erasmus’ nieuwe vertaling en zijn terugkeer naar de brontekst deel uitmaken van een verstrekkend hervormingsprogramma. Hij was wars van ingewikkelde theologische kwesties en wilde terug naar een meer praktische, ethische basis van het christendom, dat hij de “filosofie van Christus” noemde.

Een hervormingsprogramma? Dat doet aan de reformatie denken …

Er is ook zeker een verband. Erasmus zelf wilde binnen de kerk blijven en vond Luther ook maar niets. Je kunt je wel voorstellen wat Luther van Erasmus vond. Tegelijk leverden zijn geschriften, en vooral ook zijn Nieuwe Testament, volop argumenten waar de hervormers hun voordeel mee konden doen.

Werd het gevaarlijk voor Erasmus?

Ingewikkeld werd het zeker, zoals je al kunt vermoeden. Er werd veel tegen Erasmus geschreven. Hij was bijvoorbeeld verdacht bij de theologen van de Sorbonne. Ook in Rome voerde iemand campagne tegen hem. Tot zijn niet geringe frustratie zag hij zich gedwongen keer op keer verdedigingsgeschriften te laten publiceren. Nu ja: zijn drukkers waren er wel blij mee, en als je die geschriften leest kom je talloze staaltjes van Erasmus’ fameuze humor tegen. Pas na zijn dood werden zijn werken verboden lectuur in de Katholieke kerk, maar dat lag dan vooral aan het verscherpte klimaat in verband met de reformatie – waar Erasmus zoals gezegd ook een beetje de schuld van kreeg.

Hoe kreeg Erasmus zijn editie eigenlijk voor elkaar?

Het was een lang proces. Hij had Grieks moeten leren – dat deed hij onder meer door een in het Grieks geschreven grammatica in het Latijn te vertalen – en maanden-, jarenlang, vooral in Engeland, maakte hij een zorgvuldige vergelijking van de Latijnse tekst van het Nieuwe Testament met Griekse handschriften die hij raadpleegde. Zo spoorde hij taal- en tekstproblemen op. Hij maakte aantekeningen met allerlei informatie, zoals verbetervoorstellen voor de vertaling, opvattingen van de kerkvaders, en grammaticale verhelderingen.

Eenmaal in Bazel, vanaf het najaar van 1515, kwam alles bij elkaar. In enkele maanden stelde hij de beroemde editie samen, waar hij natuurlijk ook veel hulp bij had. Gelukkig maar, want de hoeveelheid werk viel hem nogal tegen. Een tredmolen noemde hij het later. Hij had zijn handen vol aan de voorbereiding van de Griekse tekst, omdat de Griekse handschriften die hij in Bazel aantrof niet zomaar geschikt waren om aan de drukkers te geven. Hij moest ze eerst uitgebreid corrigeren. Gelukkig zijn deze handschriften bewaard gebleven, zodat we Erasmus als het ware op de vingers kunnen kijken bij dit werk. Ook schreef hij nog meer aantekeningen en bereidde hij de Latijnse vertaling voor.

Was de editie een succes?

Commercieel zeker. Bovendien werd Erasmus zelf er nog beroemder door dan hij al was. Er stonden wel relatief veel drukfouten in de editie, en Erasmus had zijn vertaling ook niet echt grondig gecontroleerd. Ook had hij nog wel meer te zeggen in de aantekeningen. In 1519 kwam er dus al een tweede editie, en tot 1535 nog drie. Het droeg allemaal bij aan het succes.

Was het werk wetenschappelijk verantwoord?

Dat is een lastige vraag, al was het maar omdat het anachronisme natuurlijk op de loer ligt. Met de kennis van nu, zoals dat heet, blijkt Erasmus’ kritiek op de Latijnse Vulgaat niet altijd terecht. Hij kon niet goed weten dat de Vulgaat soms op andere Griekse handschriften gebaseerd is, die vaak zelfs beter zijn. Al met al was zijn Griekse tekst niet zo best, maar het was in zijn tijd nog niet goed mogelijk een echt structureel betere te verzorgen (behalve dan van Lees deze passageOpenbaring).

Wat zou je als Erasmus’ nalatenschap willen zien?

Het beste en leukste deel van de editie vormen de aantekeningen: daar zie je de scherpzinnige onderzoeker aan het werk. En wat in elk geval wetenschappelijk verantwoord was, was de methode: zorgvuldig teksten vergelijken en met behulp van zoveel mogelijk gegevens verantwoorde keuzes maken. Ook al ontbrak het Erasmus en zijn tijdgenoten dan soms aan goede informatie en stond de kennis van het specifieke Grieks van het Nieuwe Testament nog in de kinderschoenen, achter deze kritische beweging terug naar de bronnen kon niemand na 1516 nog terug.

Het gehele Nieuwe Instrument, zorgvuldig herzien en verbeterd door Erasmus van Rotterdam, niet alleen in overeenstemming met het Grieks, maar ook gebaseerd op vele oude en correcte handschriften in beide talen, en tenslotte met behulp van citaten, verbeteringen en interpretaties van de voortreffelijkste auteurs, in het bijzonder Origenes, Chrysostomus, Cyrillus, Vulgarius, Hiëronymus, Cyprianus, Ambrosius, Hilarius, Augustinus, samen met Aantekeningen, die de lezer laten zien wat er is veranderd en waarom. Wees niet dadelijk gekwetst als iets dat is veranderd je kwetst, maar vraag je af of het een verandering ten goede is.
Dit is f. 213r van het evangeliehandschrift dat Erasmus naar de drukkers stuurde (Bazel, Universitätsbibliothek, AN IV 1). De bladzij bevat Joh. 7:35–44.De drukkers hebben in rood aangegeven waar in de editie een nieuwe bladzij begon (het woord ἐρχέσθω in vers 37; in werkelijkheid trouwens 212, niet 112). In vers 41 voegde Erasmus in de kantlijn enkele per ongeluk weggelaten woorden toe (οὗτός ἐστιν ὁ χριστός. ἄλλοι δὲ ἔλεγον). Er zijn zoals op elke bladzij van het handschrift nog andere, kleinere correcties van Erasmus’ hand, zoals het eerste woord van regel 2 (vers 36), waar hij ζητήσεται in ζητήσετε veranderde. Zo omgaan met oude handschriften komt een hedendaagse onderzoeker trouwens op levenslange verbanning uit elke bibliotheek te staan.

Cookies

We vinden het belangrijk om je daar goed over te informeren. Cookies helpen ons je ervaring op onze website te verbeteren. Functionele cookies dragen bij aan een soepel draaiende website. Analytische cookies bieden ons inzicht in hoe gebruikers de website gebruiken. Met marketing-cookies kunnen we je op basis van je websitebezoek gepersonaliseerde inhoud bieden.