God almachtig?

19 november 2015

“Ik geloof in God de Vader, de Almachtige.” Zo begint de bekendste christelijke geloofs­belijdenis. Het klinkt misschien mooi, maar het roept ook veel vragen op. Als God almachtig is, waarom maakt hij dan geen einde aan de ellende? Als God alles kan, waarom gebeuren er dan toch veel afschuwelijke dingen? Wat zegt de Bijbel eigenlijk over Gods almacht? Hierbij de eerste blog over die vraag.

Universitair docent Oude Testament

Komt het woord 'almachtig' wel in de Bijbel voor?

Is God volgens de Bijbel almachtig? In deze eerste blog over Gods almacht bespreek ik de vraag of het woord 'almachtig' in de Bijbel voorkomt. Als je oudere Bijbelvertalingen leest, lijkt het antwoord op die vraag meteen duidelijk: Ja, God is almachtig. Maar nieuwere vertalingen laten zien dat er iets aan de hand is.

Oude Testament

In de oudere Bijbelvertalingen wordt God herhaaldelijk aangeduid als “de Almachtige”. In de Statenvertaling (17de eeuw) en NBG-vertaling (1951) vind je die benaming ongeveer vijftig keer in het Oude Testament en ongeveer tien keer in het Nieuwe Testament. In de Nieuwe Bijbelvertaling (2004) komt de vertaling “de Almachtige” alleen nog voor in het Nieuwe Testament en helemaal niet meer in het Oude Testament. Hoe kan dat?

Voor de verklaring moeten we terug naar het Hebreeuws, de oorspronkelijke taal van het Oude Testament. In het Hebreeuws van de Bijbel komt geen woord voor dat “almachtig” betekent. Het Hebreeuwse woord dat de oudere vertalingen weergeven met “de Almachtig” is Sjaddaj. Dat woord komt bijna vijftig keer voor, bijvoorbeeld in Genesis 17:1, waar God tegen Abraham zegt: “Ik ben God Sjaddaj.”

Hoewel de naam Sjaddaj dus vaak voorkomt in het Hebreeuwse Oude Testament, is de betekenis niet zeker. Waarschijnlijk wisten de Bijbelschrijvers ook niet meer precies wat die oude naam betekende. Maar in elk geval is de betekenis niet “de Almachtige”. De Nieuwe Bijbelvertaling (2004) vertaalt Sjaddaj met “de Ontzagwekkende” en de Bijbel in Gewone Taal (2014) heeft vaak “de Machtige” als vertaling, maar ook die vertalingen zijn waarschijnlijk niet juist.

De aannemelijkste betekenis van Sjaddaj is “de Bergbewoner”. Op het eerste gezicht lijkt dat misschien een vreemde benaming voor God, maar in de tijd van de Bijbel was de voorstelling dat de goden op een hoge bergtop woonden heel gangbaar. De oude Grieken dachten dat de goden op de Olympus woonden. Zo werd in het oude Midden-Oosten gedacht dat de goden op de berg Zafon woonden (aan de Middellandse Zeekust op de grens van Syrië en Turkije), of op de berg Ararat (in Turkije, bij de Armeense grens), of in het geval van de God van de Bijbel op de berg Zion in Jeruzalem. “Bergbewoner” was dus een passende aanduiding voor een god.

Oud vertaalprobleem

In de derde eeuw voor Christus woonden veel joden buiten hun eigen land Israël. De joden in Egypte vergaten het Hebreeuws na enige tijd en hadden behoefte aan een Bijbelvertaling in de taal die ze nu spraken, het Grieks. De vertaling kreeg de naam Septuaginta. De vertalers vonden het lastig om voor het raadselachtige woord Sjaddaj een goede weergave te vinden. Ze kozen de ene keer voor de ene vertaling en de andere keer voor een andere. Het woord Lees deze passageSjaddaj komt verreweg het meeste voor in het boek Job, in de lange gesprekken tussen de doodzieke Job en zijn drie vrienden (31 keer). Daar kozen de vertalers er meestal voor om Sjaddaj weer te geven met het Griekse woord Lees deze passagePantokrator, dat “de Almachtige” betekent.

De vertalers van de Statenvertaling en de NBG-vertaling (1951) kenden de oude Griekse vertaling van het Bijbelboek Job. Daarom besloten ze het woord Sjaddaj consequent met “de Almachtige” te vertalen, ook in alle andere boeken van het Oude Testament. Zo kwam dat woord “Almachtige” terecht in onze Nederlandse Bijbelvertalingen. Die vertaling gaat dus terug op de laatste eeuwen vóór Christus, maar juist is die vertaling zeker niet.

Machtig of Almachtig?

In de Griekse vertaling van het Oude Testament werd God dus weleens aangeduid als Pantokrator, oftewel “de Almachtige”. Dat Griekse woord was niet alleen de vertaling voor het Hebreeuwse Sjaddaj. Het kon ook de weergave zijn van een andere benaming van God, namelijk van “de Heer Zebaot”. Die benaming “de Heer Zebaot” betekent letterlijk “de Heer van de legers” en duidt aan hoe machtig God is. Zie bijvoorbeeld 1 Samuël 17:45. Daar zegt David tegen zijn vijand Goliat:

Jij komt op me af met je zwaard en je lans en je kromzwaard, maar ik kom naar jou toe in de naam van de Heer van de legers, de God van de gelederen van Israël, die jij hebt beschimpt.

De benaming “Heer van de legers” werd in de oude Griekse vertaling dus vaak weergegeven met Pantokrator, “de Almachtige”. Die vertaling is natuurlijk niet letterlijk. Ze sluit min of meer bij de bedoeling van de oorspronkelijke tekst, maar gaat een stapje verder: God is niet alleen machtig, hij is zelfs almachtig.

Nieuwe Testament

Het woord Pantokrator, oftewel “de Almachtige”, komen we niet alleen tegen in de Griekse vertaling van het Oude Testament, maar ook in het Nieuwe Testament, dat ook geschreven is in het Grieks. Het wordt bijna uitsluitend gebruikt in het laatste Bijbelboek, de Openbaring van Johannes. Het komt ook nog één keer voor als Paulus een stukje uit het Griekse Oude Testament citeert in een brief aan de Korintiërs (2 Korintiërs 6:8), maar Paulus kiest er verder nooit voor om het woord te gebruiken. Ook Jezus gebruikt het woord Pantokrator in de evangeliën niet.

In het Bijbelboek Openbaring wordt het woord Pantokrator negen keer gebruikt. Waarom staat het woord zo vaak in dat laatste Bijbelboek? Dat kan toch geen toeval zijn! Het heeft ermee te maken dat het boek geschreven is voor christenen die vervolgd worden door de Romeinse overheid. Ze geloven in God, maar wat ze aan den lijve ervaren is niet dat God het voor het zeggen heeft, maar dat hun vervolgers heel veel macht hebben. Deze christenen dreigen de moed te verliezen. Dat God machtig is, is voor hen zeker niet vanzelfsprekend. Het boek Openbaring wil laten zien dat God alles in zijn handen houdt, ondanks de vervolgingen. In zijn visioenen ziet Johannes God zitten op een troon. Dat betekent dat hij meer macht heeft dan wat dan ook. Hij is machtiger dan al het slechte, ook machtiger dan de Romeinse vervolgers. 

Dat God almachtig is, is voor de christenen op dat moment niet iets dat ze zien, maar toekomstmuziek. Pas later zal blijken dat het zo is. Dan bereikt God wat hij altijd al wilde. Alle ellende is voorbij en dus wordt er gejuicht. Zie Openbaring 19:6:

Halleluja! De Heer, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap op zich genomen.

De weergave hierboven komt uit de Nieuwe Bijbelvertaling (2004). Dat hier “de Almachtige” staat is terecht, want dat is precies de betekenis van het Griekse woord Pantokrator.

In de Openbaring van Johannes wordt God dus “almachtig” genoemd. In het Oude Testament is dat niet zo. Daar komt in de Nieuwe Bijbelvertaling het woord “almachtig” terecht niet meer voor. Toch zegt dat nog niet alles: als het woord “almachtig” in het Oude Testament niet voorkomt, zou de gedachte dat God almachtig is daar misschien wel kunnen voorkomen. Of is dat toch niet zo? We zullen het zien in de volgende blog.

Cookies

We vinden het belangrijk om je daar goed over te informeren. Cookies helpen ons je ervaring op onze website te verbeteren. Functionele cookies dragen bij aan een soepel draaiende website. Analytische cookies bieden ons inzicht in hoe gebruikers de website gebruiken. Met marketing-cookies kunnen we je op basis van je websitebezoek gepersonaliseerde inhoud bieden.