Afscheid van de duivel: De logische consequentie van het geloof in de ene God
De afscheidsrede van Marjo Korpel, op 29 september in de Janskerk, deed het nodige stof opwaaien. Een ND-interview kopte ‘Hoort het geloof in de duivel thuis in de kerk? Nee, zegt deze theoloog. "Het is een heidens figuur."’ Meteen buitelden lezers er overheen op de ND-Facebookpagina. Reina Wiskerke schreef er in haar column over, en Laura Dijkhuizen schreef in een redactioneel commentaar: ‘theoloog Marjo Korpel bepleit een definitief afscheid’. Maar klopt die weergave wel? In deze Bijbelblog verduidelijkt emeritus hoogleraar Oude Testament Marjo Korpel haar constatering dat het Oude Testament geen ruimte geeft aan een duivel. Geloof erin doet meer kwaad dan goed, toen en nu.
In 1967 schreef Herbert Haag al een boekje dat in het Nederlands is vertaald als ‘Afscheid van de duivel’. Daarover kwam zeer veel discussie die jarenlang aanhield en extra lading kreeg door de dood van een Duitse studente die dacht dat ze bezeten was door demonen. Twee priesters hadden in 1976 meer dan zestig duivelsuitdrijvingen op haar uitgevoerd, en in datzelfde jaar kwam de jonge vrouw te overlijden. Zowel de priesters als de ouders werden later schuldig bevonden aan nalatigheid. Deze casus brengt goed aan het licht dat er verschil is tussen wat de bijbelse teksten zeggen, en de gruwelijke geestelijke ervaringen die mensen soms kunnen hebben. Het geestelijk lijden van mensen zal nooit gebagatelliseerd mogen worden en altijd serieus genomen moeten worden, zoals ook Jezus dat in zijn tijd deed. Toch is tegelijk ook belangrijk de bijbelse bronnen telkens weer opnieuw tegen het licht te houden, wanneer er nieuwe gegevens of nieuwe methodes beschikbaar komen. Zoals in dit geval het tekstmateriaal uit het oude Ugarit (vanaf 1929), dat zeer nauw aansluit bij de bijbelse teksten.
Geen duivel in het Oude Testament
In het Oude Testament komt het Hebreeuwse woord satan zo’n 28x voor (bijv. 1 Sam. 29:4; 2 Sam. 19:22; 1 Kon. 5:4). Vrijwel altijd gaat het dan om de algemene betekenis van `tegenstander, vijand’: een mens dus. Er zijn maar drie teksten waarin mogelijk een meer hemelse figuur bedoeld kan zijn: Zacharia 3:1-2, Job 1–2 en 1 Kronieken 21: 1. Opmerkelijk is dat dit nu juist teksten betreft uit de tijd ver na de ballingschap. Dat is nu juist de tijd waarin men een eerder afgeschreven duivelsvoorstelling (zie verderop in de blog) onder het stof vandaan haalt om het kwaad van die dagen een gezicht te geven, zoals van de Perzen, de Seleuciden en later ook de Romeinen.
Een vierde tekst is Numeri 22, waar een boodschapper van God Balaam de weg verspert, om zo tot een tegenstander (satan) te zijn. Deze tekst wordt vooral genoemd in wetenschappelijke publicaties over de duivel, met als enige reden dat er toevallig het woord satan in voorkomt. In de christelijke traditie is een Satanfiguur in Numeri 22 totaal onbekend, zowel in tekst als in afbeeldingen. Ook oude Griekse en Latijnse bijbelvertalingen lezen hier geen duivelse Satan in, maar een boodschapper die opstond om ‘tegenstand te bieden’ (Grieks) dan wel om ‘in de weg te staan’ (Latijn).
De opluchting van geloven in één God
Het latere Israël behoorde tot de groep van Kanaänitische volkeren. Ze deelden veel, in taal, cultuur en geloofsvoorstellingen. Dit was zo bekend dat de bijbelschrijvers het onbevangen vermelden. Abraham kwam bijvoorbeeld uit Haran in Aram (Gen. 12:4; Deut. 26:5), Kanaänitisch gebied. Men sprak en schreef daar in nauw verwante, West-Semitische talen, die van elkaar verschilden zoals tegenwoordig Vlaams en Nederlands. De helft van de bijbelse beeldspraak voor God komt in taal overeen met die voor de goden in Kanaän. Het enige grote verschil is dat in de Bijbel aan één God allerlei verschillende eigenschappen worden toegeschreven die in de rest van Kanaän zijn verdeeld over heel veel goden. In Israël is het niet de god Baäl die leven geeft, maar de ene God van Israël. Het is niet de god Mot die doodt, maar de ene God (Deut. 32:39). Het is niet de god Horan die opstandelingen straft, maar de ene God (Ps.68:22).
Dat lijkt een lastig Godsbeeld, maar hiermee wordt wel de lucht geklaard. Tot die tijd was de wereld vergeven van de demonen, geesten, goede en boosaardige goden. In het veelgodendom van Kanaän was de mens niet anders dan een speelbal van de goden. De ene god geeft, de andere neemt. Het monotheïsme biedt voor altijd een duidelijk adres voor dankbaarheid én voor woede. Zo kan Naomi in het boek Ruth woedend uitroepen dat het de hand van de HEER is, die naar haar is uitgestrekt (Ruth 1:13) en dat Sjaddai haar bitterheid en kwaad heeft aangedaan (Ruth 1:20-21). Ook het volk Israël blijft bij alle ellende roepen tot dezelfde God. Nooit wordt een boze godheid of duivel erbij gehaald. Die figuren waren door het sterke geloof in de ene God grotendeels verdwenen. Een paar waren nog in naam bekend, maar kwamen enkel nog voor als instrumenten in Gods hand voorzien van het bezittelijk voornaamwoord ‘mijn’ (bijv. Deut. 32:24; Exod. 15:7; Hab. 3:5). Waar een duivel (weer) wordt ingevoerd, verdwijnt het bevrijdende aspect van dat geloof in de ene God.
De Kanaänitische oorsprong van de duivel
De tekst van Openbaring 12:9 bevat een vreemde beschrijving van de duivel. Die wordt daar gelijkgesteld aan de grote draak, en aan Satan, en bovendien wordt gezegd dat hij werd neergegooid op de aarde, met al zijn helpers. Ook Paulus stelt de slang gelijk aan Satan (2 Cor. 11:3 en 14). Maar de Bijbel zegt daar verder nergens iets over. Waar komt die gedachte vandaan?
Nu komt er in twee religieuze teksten uit het oude Ugarit (aan de kust van het huidige Syrië) een verhaal voor waar wel zo'n gelijkstelling in voorkomt. Een mythe over de Kanaänitische god Horan. Vermomd als een enorme Leviathanslang heeft de god Horan de boom des levens in de godentuin in bezit genomen, en een enorme giftige mist veroorzaakt. Uit woede, omdat hij van de godenberg was gegooid, nadat hij de hoogste positie van de god El wilde innemen. Iemand moet nu de giftige slang in de levensboom te lijf gaan. De goden wijzen daarvoor de god Adammu aan. Maar nog voor hij iets kan doen is hij al gebeten door de slang, en krimpt hij tot menselijke proporties en dreigt te sterven.
Nu kun je je als bijbellezer afvragen: Is het belangrijk om zo’n raar, Kanaänitisch verhaal te horen? Jazeker, want pas door die met de Bijbelse teksten te vergelijken komt je het eigene van de bijbelse boodschap op het spoor. Als eerste valt op dat er veel overeenkomsten zijn tussen de god Horan en de duivel. De naam van deze god komt zeer waarschijnlijk van een woord chowr, ‘gloeiend, schroeiend, vlammend’. Zijn naam betekent dus iets als ‘de Gloeiende’. De naam van de godheid is nog terug te vinden in de naam van het Haurangebergte, een vulkanische regio ten oosten van de Jordaan, waaruit ook nu nog steeds warme dampen komen en dat eruitziet als een enorme, gestolde slang. Een deel van het gebergte werd vroeger ook wel aangeduid als de Basan. Een naam die niet anders betekent dan: ‘slangendraak’. In het Arabisch heten de zwarte lavavelden van de Hauran charra. De stam van dit woord duidt in het Arabisch het vuur van de hel aan. In het Ugaritisch beschrijft het de hitte die wordt veroorzaakt door de god van de dood, vader van de god Horan. Horan blijkt ook te dragen die later gebruikt worden voor de duivel/Satan. Zo worden Horans nakomelingen wel aangeduid als Legioen, en wordt hijzelf ook wel Qeteb, Giftand, genoemd (zie Hab. 13:14).
Een normale slang en de schuld van de mens
Er zijn meer overeenkomsten. In de Kanaänitische mythe transformeert de god Horan zichzelf tot een slang in de boom des levens, in de tuin van de goden. Omdat hij echter een god is, en dus ook mensvormig, kan hij ook spreken. Uit Egypte zijn veel afbeeldingen bekend van goden als mengwezens. Als in Openbaring 12:9 wordt uitgelegd dat de slang dezelfde is als Satan en de duivel, maar ook dezelfde als de grote draak die op aarde werd geworpen (het Grieks woord drakoon is onder andere de vertaling voor zeemonsters in Psalm 74:13-14 en Job 41:10 en voor de slang in Exod. 7:9-12), dan is dat vanuit het Kanaänitische verhaal niets nieuws. Het was algemeen bekend volksgeloof. En het wordt bovendien uitgelegd als één en hetzelfde: allemaal beelden voor kwade machten.
Ook Genesis 2–3 noemt bekende motieven uit dit oude verhaal: een levensboom, een slang, een tegenspeler genaamd Adam. Juist in de verschillen wordt duidelijk waar het hier om draait. De slang is in Genesis ontdaan van zijn goddelijke grootheid en heeft slechts een lachwekkend, miezerig rolletje gekregen om de mens te laten nadenken over het maken van keuzes ten goede of ten kwade. Maar het is zeker geen enorme Leviathanslang meer, maar eentje van normaal formaat. Zo kan de bijbelschrijver laten zien: Nee, mens, zeg nu maar niet dat het een slang was, die de eerste zonde beging zoals in dat oude verhaal, je bent het gewoon zelf die de vrijheid krijgt om te kiezen voor het goede of niet. Kijk eerst maar eens in de spiegel.
De duivel in het Nieuwe Testament
Vaak wordt gezegd dat de duivel in jodendom en christendom een verdere ontwikkeling is, vanuit de Perzische leer van Zoroaster. Maar ook in het Zoroastrianisme komen vele demonen voor die onschadelijk gemaakt moeten worden. Het kent hetzelfde oude Kanaänitische motief van een boze godheid die een boom uit de oertijd vergiftigd heeft. Dat kan dus moeilijk een ontwikkeling genoemd worden. Het is een terugkeer van dezelfde mythe.
De vraag moet dus eerder zijn: Hoe kan het dat de duivelse Horan herleefde in de tijd tussen Oude en Nieuwe Testament? Vermoedelijk is de duivelse Horan teruggekomen via het volksgeloof. Dat moet dan geweest zijn in de tijd van de Makkabeeën en later, toen de wrede Seleuciden en de Romeinen heersten. Wanneer een volk zo onder de voet wordt gelopen, dan zijn soms karikaturen nodig voor de vijand. De naam Satan zou goed kunnen zijn afgeleid van een werkwoord sjt, ‘branden’. Dan zou Satan precies hetzelfde betekenen als Horan, namelijk ‘de Brandende, de Gloeiende’.
Als er in het Nieuwe Testament over de duivel wordt gesproken, dan is dat niet anders dan de taal van die tijd om het kwaad een gezicht te geven. Om te kunnen omgaan met de wreedheden van harde heersers. Jezus sprak als een mens van zijn tijd diezelfde taal. Het ligt voor de hand, dat ook Jezus de verhalen uit het volksgeloof moet hebben gekend, en daar zo nu en dan gebruik van maakte. Zoals in Lucas 10:15-19, waar de leerlingen verbaasd zijn over demonen die hen gehoorzamen en Jezus zegt: ‘Ik heb Satan als een lichtflits uit de hemel zien vallen!’ Dit is een vreemde die tekst die Jezus alleen kon spreken als zijn hoorders direct begrepen waar het vandaan kwam. De uitspraak is tegen de achtergrond van het Kanaänitische verhaal ook geheel logisch en begrijpelijk. Lucas 10 refereert net als Jesaja 14:13 en Ezechiël 28:6-8 aan het algemeen bekende beeld van de opstand van eeen rebelse god die de hoogste plaats in de godenwereld wilde innemen, maar als straf was neergeworpen op aarde, tot ver in de onderwereld. Dat lot geldt iedere opstandige en met een bekend beeld kan Jezus dit onderstrepen. Dat Jezus bekend is met Kanaänitische restanten uit dit volksgeloof blijkt ook wel uit het spreken over Beël-Zebul (Mat. 10:24), vermoedelijk een verbastering van Baäl-Zebub, ‘Baäl van de vliegen’ (d.w.z.: demonen).
Een bekende tekst is die van Onze Vader, waarin Jezus zijn leerlingen leert bidden: ‘En verlos ons van de Boze’ (Mat. 6:13). Nu kent het Grieks geen hoofdletters. En zowel in het Grieks als ook in het vermoedelijk door Jezus gesproken Aramees is het woord ‘boze’ in het gebed dubbelzinnig: het kan zowel het boze (zoals in de NBV21: ‘red ons van het kwaad’) als de boze zijn. Die dubbelzinnigheid sluit in elk geval uit dat ‘de boze’ in de bede eenduidig zou kunnen worden opgevat als bede om bescherming tegen een of andere duivel. Bovendien is in het Hebreeuws van het Oude Testament ‘de boze’ altijd een vijandelijke mens. De mens zelf is dus ingesloten. Het zijn mensen die kiezen voor het goede of het boze.
Conclusie
Het bijbelse spreken laat zien dat de duivel, Satan, Leviathan, Tannin, de zeemonsters, de draak, de slang in de taal van de Bijbel vooral verbeeldingen zijn, personificaties van het kwaad. Als bijbellezers stellen dat er toch ook demonische machten zijn, is ook dat niet anders dan menselijke taal. Zoals we ook de onstuitbare onbeheersbaarheid van AI hebben gecreëerd, waarvan niemand weet of en hoe we ons daartegen nog kunnen wapenen. Het is ons zelf gecreëerde, ‘demonische’ kwaad.
Andere bijbelse personificaties zien we zonder moeite als beeldtaal. Zo beschrijft de Bijbel de zee en het water als een persoon en zowel God als Jezus spreken het water toe (Job 38:11; Mar. 4:39), en ook de dood (bijv. Jes. 5:14, zie ook de teksten in voetnoot 180 van de afscheidsrede). Toch zullen weinig lezers de zee of de dood nog als zelfstandige, persoonlijke macht zien. Waarom dan wel de duivel? Op zijn minst zouden we onszelf deze vraag moeten stellen, wanneer we het woord duivel maar in de mond zouden willen nemen.