Home/Bijbelblog/It takes two to tango - Rebekka's huwelijk in bijbel en midrasj
Dr. G.M.G. Teugels
UD Semitica en Judaica
Verder lezen?

Lieve M. Teugels,  “Gap Filling and Linkage in the Midrash on the Rebekah Cycle”, in A. Wenin e.a. (eds), Studies in the Book of Genesis. Literature, Redaction and History (BETL 155). Peeters, Leuven 2000, 585-598.

Lieve M. Teugels, Bible and Midrash. The Story of ‘The Wooing of Rebekah’ (Gen. 24) (Biblical Exegesis and Theology, 35). Peeters, Leuven 2004.

Commentaren

C. Westermann, Genesis 12-36 (Biblischer Kommentar. Altes Testament, 1/2). Neukirchen, 1981, 1: Abrahamerzählung (Gen. 12-25), Jakob-Esau-Erzählung (25-36).

E. Speiser, Genesis (The Anchor Bible, 1). New York, 1964, viii: The Story of Abraham (12-25,18), The Story of Jacob (25,19-37,2a).

11 april 2019

It takes two to tango - Rebekka's huwelijk in bijbel en midrasj

Ze suggereerden haar: ‘Ga je echt mee?’ Maar zij zei: ‘Ik ga’: ‘Ik ga alleszins, tegen jullie wil en zonder jullie goedkeuring’. Vrouwen lijken in de Bijbel hun vader of man steeds te moeten gehoorzamen. Maar er zijn uitzonderingen. Rebekka bijvoorbeeld.

Mondige, proactieve vrouw

In Genesis 24 lezen we dat Abraham zijn knecht uitzendt om een vrouw voor zijn zoon Isaak te zoeken. Het is een lang verhaal, met veel herhaling. De feitelijke actor in dit lange verhaal is de anonieme knecht die de vrouw moet gaan zoeken. Het is in elk geval niet Isaak: aan het einde van het verhaal ontvangt hij de vrouw die de knecht voor hem geregeld heeft, en hij brengt haar in de tent van zijn pas overleden moeder Sara. De komst van Rebekka brengt hem troost na dat verlies, aldus Gen. 24:67. Freud zou zich in de handen wrijven. In alle verhalen waar Isaak en Rebecca samen optreden, lijkt Rebekka wat dominanter te zijn dan Isaak. Zo beraamt zij, in Genesis 27, het plan om de zegen voor Jacob aan Isaak te ontfutselen. In Genesis 24, waar zij voor het eerst op het toneel verschijnt, wordt zij al meteen neergezet als een mondige, proactieve vrouw.

In de rabbijnse bijbelcommentaren, de midrasjiem, wordt de mondige positie van Rebekka nog wat meer uitgewerkt dan in de bijbel het geval is. Het citaat aan het begin van deze blog komt bijvoorbeeld uit de commentaar op Genesis 24:57 in de Grote Midrasj op Genesis, Genesis Rabbah. Om deze midrasj goed te kunnen begrijpen, moeten we eerst het verhaal van Genesis 24 goed in detail lezen, net als de rabbijnen dat ook hebben gedaan bij het schrijven van hun midrasjiem.

‘En zij zei: ik ga’

In Genesis 24, het verhaal dat ook wel ‘De verloving van Rebekka’ wordt genoemd, is Rebekka geen grote prater. Daarentegen is zij een wervelwind van actie. Deze eigenschap wordt verbaal aanwezig gesteld door het overmatige gebruik van werkwoorden van beweging waarvan zij het onderwerp is. In het bijzonder zijn te vermelden ‘zich haasten’ en ‘lopen’ (vv. 18, 20, 28). Daarnaast is er de snelle opeenvolging van ‘afdalen’, ‘water putten,’ ‘laten drinken,’ en weer ‘opstijgen’ (vv. 16, 20). Door deze snelle opeenvolging van actiewerkwoorden stelt de auteur Rebekka voor als een ondernemingsgezinde vrouw. In de passage waar haar huwelijk met Isaak ter sprake komt, in Gen. 24:49-59, wordt Rebekka’s motto ‘geen woorden maar daden’ bevestigd. Waar de familie haar eerst zonder problemen willen laten meegaan met de knecht (Gen. 24:50-51), beginnen ze daarna te traineren: ‘Laat het meisje nog een dag of tien bij ons blijven, daarna mag ze met u mee’ (Gen. 24:55). De knecht verliest zijn geduld, waarop de familie voorstelt om het ‘het meisje zelf te vragen’. Of dit een gebruikelijke procedure was in de tijd waarin het verhaal zich afspeelt, weten we niet. Voor de verteller is het echter een gelegenheid om de mondigheid van Rebekka te demonstreren.

‘Laten we het meisje zelf roepen,’ zeiden ze, ‘en haar vragen wat zij wil’. Dus riepen ze Rebekka en vroegen haar: ‘Wil je met deze man meegaan?’ En zij zei: ‘Ik ga’. (Gen 24:57-58).

Het korte, vastberaden antwoord van Rebekka valt op. In het Hebreeuws staat er één woord: elech – `Ik ga’. Deze werkwoordsvorm is een reflectie van de befaamde roeping van Abraham om zijn land – hetzelfde land – te verlaten in Genesis 12:1: Lech lecha – ‘ga weg uit je land, je geboorteplaats en het huis van je vader’. Van Rebekka wordt verwacht dat zij dezelfde stap zet, en dat doet ze onvervaard: elech. Het is haar eigen keuze.

‘Tegen jullie wil en zonder jullie goedkeuring’

In de midrasj, de rabbijnse bijbelcommentaren uit de eerste eeuwen van onze tijdrekening, wordt dit (uitzonderlijke) onafhankelijke handelen van Rebekka onderkend en breed uitgemeten. Zowel het feit dat Rebekka zelf gevraagd wordt of ze met dit huwelijk instemt, als haar laconieke elech, worden in deze passage uitgelicht:

'Laten we het meisje zelf roepen,’ zeiden ze, ‘en haar vragen wat zij wil’ (Gen. 24:57). Hieruit kan men afleiden dat men een vaderloos meisje niet mag uithuwelijken buiten haar wil om. Dus riepen ze Rebekka en vroegen haar: ‘Wil je met deze man meegaan?’ (Gen. 24:58). R. Chananja, de zoon van R. Adda zei in de naam van R. Izaak: Ze suggereerden haar: ‘Ga je echt mee?’ Maar zij zei: ‘Ik ga’ (idem.): Ik ga alleszins, tegen jullie wil en zonder jullie goedkeuring. - Genesis Rabba 60:12.

Om te beginnen vinden we een stukje midrasj halacha: uit deze bijbeltekst wordt een regel afgeleid. Of deze regel in de oudheid algemeen geaccepteerd is weten we niet: sowieso mogen meisjes in de Joodse traditie niet tegen hun zin uitgehuwelijkt worden, maar of er speciale regels waren voor vaderloze meisjes is niet duidelijk. We vinden de regel niet terug in de meer gangbare halachische werken, de Misjna en de Talmoed. Er moet worden opgemerkt dat deze midrasj ervan uitgaat dat vader Betuel inmiddels gestorven is. Dat detail wordt afgeleid uit het feit dat in v. 55 niet de vader en de broer, zoals in v. 51, maar de moeder en de broer aan het woord zijn. Vergelijk v. 50-51:

Laban en Bethuel antwoordden: 'Dit komt bij de HEERE vandaan. Wij kunnen tegen u niets meer ten kwade of ten goede zeggen. Zie, Rebekka staat voor u. Neem haar mee en ga heen: laat zij de vrouw van de zoon van uw heer worden, zoals de HEERE gesproken heeft'. Met v. 55: 'Haar broer en haar moeder zeiden daarop: Laat het meisje nog een dag of tien bij ons blijven, daarna kunt u gaan'.

Dit zijn het soort details waar de rabbijnen hun midrasj op bouwen; details die wij ook met een aandachtige lezing op het spoor kunnen komen.

In de midrasj worden de woorden van de moeder en de broer in v. 58, in lijn van hun traineren in v. 55, uitgelegd als suggestief: hun woorden ‘ga je mee’ (hatelechi) zouden zijn uitgesproken op een toon die suggereert dat ze dat ze dat liever niet willen. Het antwoord van Rebekka, dat in de Bijbel al geen twijfel laat, wordt in de midrasj nog eens aangezet: ‘Ik ga alleszins, tegen jullie wil en zonder jullie goedkeuring.’

Dit antwoord zegt genoeg. Rabbi Chananja, die aan het woord is in deze midrasj, presenteert het zonder oordeel, waaruit we kunnen afleiden dat hij Rebekka’s mondigheid, en haar ingaan tegen haar broer en moeder, als een positief gegeven ziet. Dat kan te maken hebben met het negatieve daglicht waarin broer Laban elders in de rabbijnse literatuur wordt gesteld. Maar ook met de positieve evaluatie van onafhankelijk handelen bij dochters en jonge vrouwen bij, in elk geval sommige, rabbijnen.

Een uitgebreidere versie van deze bijdrage zal verschijnen in het eerstvolgende nummer van het tijdschrift Tenachon.