Home/Bijbelblog/De Bijbel in Groene Theologie
27 december 2019

De Bijbel in Groene Theologie

In een eerdere blog stelde ik bij de alom ontluikende ecotheologie de argwanende vraag: “Wordt dit weer zo’n theologie waarbij na veel geleerde omzwervingen vastgesteld wordt dat God zegt wat wij zelf van tevoren ook al bedacht hadden? Gaan we nu in de Bijbel antwoorden vinden op vragen die de Bijbelschrijvers zelf nooit hadden bedacht?”

Omdat ik ook melding maakte van het kort daarvoor gepubliceerde boek Groene theologie van Trees van Montfoort (Skandalon 2019), kon de indruk ontstaan dat dit boek een voorbeeld was van zo’n bedenkelijke omgang met de Bijbel. De schrijfster maakte mij daarop attent in een reactie op de blog, waarna ik toezegde nader op haar boek te zullen ingaan. Inmiddels is haar boek in Nederland gekozen tot het theologische boek van het jaar. Des te meer reden om die toezegging na te komen.

Bijbel en lezer

Laat ik er om te beginnen geen misverstand over laten bestaan: in de bijna honderd bladzijden die in dit boek expliciet zijn gewijd aan de Bijbel wordt een weloverwogen bijdrage geleverd aan de vraag in hoeverre zij bij kunnen dragen aan het moderne debat over ecologische vraagstukken. Ik ben het niet overal eens met de uitleg van de teksten, maar dat is gebruikelijk in de Bijbelwetenschap.

Belangrijker is dat op basis van de teksten goede vragen worden opgeroepen. Dat is wat je mag hopen van goed Bijbelgebruik: dat het ons een spiegel voorhoudt waardoor we scherper en kritischer naar ons zelf en onze wereld gaan kijken. De Bijbel krijgt dan niet het laatste woord. In veel gevallen wanneer dat wel gebeurt, wordt de discussie doodgeslagen met een machtswoord. Het maakt een al dan niet bewust vooringenomen standpunt onbespreekbaar.

Ik kan me goed vinden in wat de schrijfster aanduidt als “creatief mobiliseren van de christelijke traditie” (p. 47). De erkenning van de waarde van de Bijbel als de bron waaruit men in die traditie put neemt niet weg dat iedereen de teksten leest met een bepaalde bril. Ze heeft zelf heel bewust een ecologische bril opgezet. Daarmee heeft ze vooral “oog voor de niet-menselijke werkelijkheid in de Bijbel” (p. 51).

Niet alleen de mens

Op deze manier zoekt Van Montfoort naar een weerwoord tegen de kritiek dat het in de Bijbel alleen om de relatie tussen God en de mens gaat. Er zijn veel teksten aan te wijzen waarin God zich bekommert om en verheugt over de dieren en de natuur in het algemeen. Naast het scheppingsverhaal in Genesis 1 is het mooiste voorbeeld daarvan te vinden in de langste rede van God, in Job 38-41. Andersom horen we, met name in de Psalmen, hoe bergen en rivieren God lofzingen.

Treffend wordt uitgelegd hoe Franciscus van Assisi dit nog begreep, getuige zijn Zonnelied. Daarin wordt het loflied in de mond gelegd van broeder zon, zuster maan, broeder wind, zuster water enzovoort. Ten onrechte is dat vaak zo vertaald dat God niet geloofd wordt dóór de zon en zijn broeders en zusters, maar òm de zon. Het geeft nog eens aan hoe moeilijk mensen de gedachte kunnen toelaten dat niet alles om hen draait.

De mens kan ook zijn eigen mogelijkheden en inzicht overschatten, zo kunnen we samen met Job leren: “Mensen hebben niet de kennis, de vaardigheden of de macht om over de schepping te heersen” (p. 91). Misschien is dat – zo denk ik dan – wel de belangrijkste Bijbelse boodschap. Ik zou het dan zelf juist met het verhaal van de eerste zonde in Genesis 3 willen verbinden. De mens wilde als God worden. Je zou de huidige ecologische crisis het bewijs kunnen noemen dat het gelukt is en tegelijkertijd ook mislukt: de mens is in staat de aarde vernietigen, net zoals God deed volgens het vloedverhaal in Genesis 6-9. Het grote verschil is dat de mens zijn eigen mogelijkheden niet echt in de hand lijkt te hebben.

Tohu wabohu en tehom

Heel spannend wordt het wanneer tohu wabohu (de aarde als “woest en ledig”) en tehom (“oervloed” of “diepte”) uit Genesis 1:2 positief worden uitgelegd. Dat is heel anders dan de gebruikelijke opvatting van deze termen als aanduiding van iets negatiefs of het niets. Van Montfoort legt de termen uit als aanduidingen van een soort permanente chaos waar veel goeds uit voort kan komen. Dat is wel heel creatief en misschien toch al te zeer ingegeven door een afkeer van het denken in tegenstellingen, waarbij de aarde als iets minderwaardigs of zelfs kwaads wordt gezien. 

Dat geldt ook voor de toch wel wat krampachtige poging om de rest van het scheppingsverhaal eveneens van dualisme te vrijwaren: “zoals het land al in het water aanwezig was, zo was het licht al in de duisternis aanwezig” (p. 66). De gevaren die een simplificerend dualistisch onderscheiden van goed en kwaad in zich bergt worden niet bezworen door te kiezen voor een holistische benadering.

Over de nieuwe uitleg van tohu wabohu moet ik nog eens diep nadenken. Het kan gevaarlijk zijn om te licht over het kwaad te denken. Jeremia noemt het ook (4:23) en dan toch ook wel heel negatief. En als het gaat om licht en duister, wat moeten we dan denken van de profeet Jesaja voor wie, zoals Van Montfoort ook noemt, God vooral ook als schepper belangrijk is. Hij belijdt dat God zowel het licht formeert als de duisternis schept (45:7).

Weg met de apocalyptiek!

Gepaard aan de strijd tegen het dualisme gaat de poging om een alternatief te bieden voor het apocalyptische denken. Het wordt steevast aangeduid als iets wat typerend is voor fundamentalistische christenen die Bijbelse teksten over het eind der tijden letterlijk nemen. In dat kader kunnen alle onheilstijdingen rond de ecologische crisis worden opgevat als voortekenen van de wederkomst van Christus. Dan is het niet bepaald motiverend om je tegen de klimaatcrisis te verzetten. Daarentegen wordt benadrukt dat veel teksten ook zo gelezen kunnen worden dat de aarde getransformeerd zal worden: “God maakt niet allemaal nieuwe dingen, maar alle dingen nieuw” (p.132).

Zou het niet beter zijn om gewoon te erkennen dat volgens de Bijbelse apocalyptiek wel degelijk het einde van deze wereld wordt verwacht en dat men ervoor kan kiezen op dit punt de Bijbel tegen te spreken, zoals er in de Bijbel zelf ook vaak sprake is van stem en tegenstem?

In dit opzicht is de bespreking van de Bijbelse gegevens in dit boek misschien ook wel al te harmonisch. Zo wordt bijvoorbeeld ook gesuggereerd dat er veel vrouwelijker over God wordt gesproken dan men steeds gedacht heeft: scheppen als baren, de Geest als vrouw,  Jezus geïdentificeerd met Vrouwe Wijsheid. Dat zijn mooie gedachten, maar het lijkt me dat er ten onrechte wordt gesuggereerd dat het om een oorsponkelijke stem gaat die verdrongen is door een latere patriarchale benadering. Ik zie het eerder als de bovengenoemde “creatief mobiliseren” van traditioneel gedachtengoed. Het verheldert de discussie om dat ook zo te benoemen.

Kortom

Er is nog veel meer te zeggen over Groene Theologie. Het is – vooral ook door de uitgebreide presentatie en evaluatie van de relevante primaire en secundaire literatuur – een basis voor een goed gesprek, niet alleen voor theologen onderling maar voor iedereen die het aandurft om na te denken over wat hem of haar op dit terrein beweegt.