Home/Bijbelblog/De parabels van Jezus en de andere rabbijnen
Dr. G.M.G. Teugels
UD Semitica en Judaica
Aanvullende informatie

Behalve in de synoptische evangelies staan er ook parabels van Jezus in de apocriefe evangelies, die niet in het Nieuwe Testament staan, zoals het evangelie van Thomas. 

Behalve dat dezelfde motieven in deze rabbijnse parabels en de parabels van Jezus voorkomen, is ook interessant om te zien dat beide vaak als tweetal werden overgeleverd, in de vorm van tweeling-parabels. Vaak zijn het er ook meer, bij Jezus zowel als bij de rabbijnen: reeksen van drieling-, vierling-, zelfs tienling-parabels.

Verder lezen

De vertalingen in deze blog komen uit het boek van Arie Kooyman, Als een Koning van Vlees en Bloed. Rabbijnse Parabels in Midrasjiem, Ten Have, Baarn, 1997. Dit boekje is een aanrader voor wie meer rabbijnse parabels wil lezen. 

Journal for the Study of Theology and Religion (NTT) 71/2 (2017) is een themanummer over parabels, met bijdragen over zowel rabbijnse parabels als deze van Jezus. 

Aan de Universiteit Utrecht en de Universiteit van Tilburg loopt een NWO project over parabels. Op de website parabelproject.nl delen de onderzoekers in dat project hun bevindingen met een breder publiek. Reageren en vragen stellen is ook mogelijk. Wie op de hoogte wil blijven van nieuwe posts kan zich daar abonneren op de nieuwsbrief.

11 mei 2017

De parabels van Jezus en de andere rabbijnen

Het Nieuwe Testament bevat zo’n veertig gelijkenissen of parabels op naam van Jezus, alle in de synoptische evangeliën (Matteus, Marcus, Lucas). Het handvol parabels van Jezus is slechts een klein deel van een verzameling van honderden Joodse parabels uit de eerste eeuwen van onze tijdrekening. Deze parabels zijn soms toegeschreven aan bekende leraren, zoals in het geval van Jezus, maar vaak zijn ze anoniem overgeleverd.  Een kijkje in deze andere vroege Joodse parabels, kan ons veel leren over de parabels van Jezus: hoe dergelijke parabels klonken in de oren van de Joodse toehoorders in de eerste eeuw en hoe Jezus een bekend genre aanwendde om zijn eigen boodschap over te brengen.

De rabbijnse masjal

Het Hebreeuwse woord voor gelijkenis of parabel is masjal. De mesjaliem in de vroege Joodse literatuur maken meestal deel uit van een stuk interpretatie van de Hebreeuwse Bijbel. De auteurs van de vroege Joodse geschriften worden ‘rabbijnen’ genoemd; en hun geschriften heten ‘rabbijnse literatuur’. De specifieke rabbijnse vorm van bijbelinterpretatie heet midrasj, meervoud: midrasjiem. De masjal volgt vaak op een stuk midrasj dat een moeilijkheid in de bijbeltekst verklaart, en helpt verder met het verklaren van deze moeilijkheid, of illustreert op zijn beurt de midrasj. Dit is mooi te zien in het volgende voorbeeld uit een midrasj op het boek Deuteronomium:

A. “Er is niet één als God, o Jesjoeroen, rijdend in de hemel als je helper, in zijn hoogheid op de wolken.” (Deut. 33:26)

B. “In zijn hoogheid op de wolken.” Heel Israël verzamelde zich bij Mozes en ze zeiden tot hem: ‘Onze meester Mozes, zeg tegen ons, hoe ziet de eigenschap van de glorie boven eruit?’ Hij zei tot hen: ‘Uit de lagere hemelen kunnen jullie opmaken hoe de eigenschap  van de glorie boven eruitziet.’

C. Een masjal. Waarmee kan dit vergeleken worden? Met iemand die zei: ‘Ik wil de glorie van de koning zien.’ Ze zeiden tot hem: ‘Ga naar de stad en je zult hem zien.’ Hij ging naar de stad en zag een gordijn, hangend voor de poort van de stad, dat met edelstenen en parels was bezet. Hij kon zijn ogen er niet van afhouden, tot hij flauwviel. Ze zeiden tot hem: ‘Als je je ogen niet kunt afhouden van een gordijn, dat voor de ingang van de stad hangt, met kostbare stenen en parels, totdat je er bij neervalt, hoeveel te meer, als je de stad nu eens was binnengegaan.’

D. Daarom is er gezegd: “In zijn hoogheid op de wolken” (Deut. 33:26).

(Bron: Sifre Deuteronomium Piska 355)

De letters A-D zijn toegevoegd aan bovenstaande tekst om de typische opbouw van een rabbijnse parabel duidelijk te maken. A is de bijbeltekst die becommentarieerd wordt; B is een stuk midrasj. In dit geval behandelt de midrasj de vraag: wat is het verschil tussen ‘de hemelen’, en ‘de wolken’? Want de rabbijnen gaan ervan uit dat de heilige Schrift niet zomaar iets herhaalt zonder extra betekenis. In de midrasj worden Mozes woorden in de mond gelegd die dit verklaren: de ‘wolken’ staan voor de ‘lagere hemelen’. Als je naar de wolken kijkt dan kan je al een idee krijgen van de ware glorie van God ‘in de hemel’.

De parabel, in C illustreert dat met een aardse situatie. In de rabbijnse parabels wordt vaak een verhaal over een koning en zijn onderdanen verteld om iets over de relatie tussen God en de mensen duidelijk te maken. De vergelijking is hier vrij direct: als de onderdaan al moeite heeft met de schittering van het gordijn aan de stadspoort, dan zou hij de ware schittering van de stad daarachter al helemaal niet aankunnen. De ‘glorie’ van de koning is hier verbeeld als de ‘schittering’ van de stad.

Op de masjal volgt nog een toepassing, gemarkeerd door de letter D. Deze toepassing, die ‘nimsjal’ wordt genoemd, voert het beeld terug naar de bijbeltekst. Behalve een verklaring van het verschil tussen ‘hemelen’ en ‘wolken’, moet deze masjal ook een theologische idee overbrengen: men moet niet tot de hemel opstijgen om iets van het goddelijke te zien; Gods glorie is af te lezen aan verschijnselen op aarde.

Andere contexten – gemeenschappelijke motieven

Anders dan bij de rabbijnen zet Jezus parabels niet in om een bijbeltekst te verhelderen. Hij vertelt ze veeleer om zijn standpunt te verhelderen, vaak in een situatie van conflict. Het is mogelijk dat dit een ouder gebruik van de mesjalim reflecteert, dat ook bij de oudste rabbijnen bekend was: helaas hebben we slechts weinig rabbijnse parabels uit de tijd van Jezus die dit bevestigen. De Nieuwtestamentische parabels zijn daarom ook belangrijk voor het onderzoek naar de Joodse parabels, omdat ze de enige zijn waarvan we zeker weten dat ze in de eerste eeuw vastgelegd zijn. Vaak gebruikt Jezus parabels om iets duidelijk te maken over zijn visioen van de ideale wereld: het koninkrijk Gods. Let op hoe Jezus door het gebruik van deze term, net als de rabbijnen, God met een koning vergelijkt.

In Matteus 13:44-46 vinden we een tweelinggelijkenis, waarmee Jezus iets over het koninkrijk Gods duidelijk wilde maken.

Het is met het koninkrijk van de hemel als met een schat die verborgen lag in een akker. Iemand vond hem en verborg hem opnieuw, en in zijn vreugde besloot hij alles te verkopen wat hij had en die akker te kopen.

Ook is het met het koninkrijk van de hemel als met een koopman die op zoek was naar mooie parels. Toen hij een uitzonderlijk waardevolle parel vond, besloot hij alles te verkopen wat hij had en die te kopen.

De precieze implicaties van de eerste parabel zijn niet geheel duidelijk. Iemand vindt een schat, kennelijk in de akker van een ander, en verbergt hem opnieuw, om daarna pas die akker te kopen. Hier lijkt iets te ontbreken dat aan de toehoorders bekend was. Twee uitvoeriger rabbijnse parabels kunnen ons iets van het bekende ontbrekende beeld duidelijk maken. In onderstaande tweeling-mesjaliem, te vinden in een midrasj op Exodus 14:5, verwijzen vruchtbare ‘akker’, ‘schat’ en ‘parel’, naar de bijzondere waarde van de Israëlieten, die de Egyptenaren lichtzinnig over het hoofd zagen, totdat een ander (God?) ze ‘kocht’.

A. “Toen aan de farao, de koning van Egypte, bericht werd dat het volk gevlucht was, kregen hij en zijn hovelingen spijt. ‘Hoe konden we Israël zomaar laten vertrekken!’ zeiden ze. ‘Nu zijn we onze slaven kwijt.’” (Exod 14:5)

B. Ze zeiden: is ons niet vanwege hen veel goeds overkomen?

C. Rabbi Jose de Galileeer zei: Een  masjal. Waarmee is dit te vergelijken? Met iemand die een akker van 1 kor erfde. Hij verkocht hem voor een habbekrats. De koper kwam, opende er bronnen, plantte er tuinen, bomen, en legde er hoven aan. De verkoper kreeg spijt.

D. Zo ook verging het de Egyptenaren toen ze hen hadden laten gaan. Ze beseften niet wat ze hadden laten gaan …

C. Een andere uitleg. Rabbi Sjimon ben Jochai zei: Een masjal. Waarmee is dit te vergelijken? Met iemand die een buitenverblijf in een stad overzee erfde. Hij verkocht het voor een schijntje. De koper kwam en vond er verborgen schatten, voorraden zilver, goud en edelstenen, en parels.

D. Zo ook verging het de Egyptenaren toen ze hen hadden laten gaan. Ze beseften niet wat ze hadden laten gaan. Want er is geschreven: ‘Hoe konden we Israël zomaar laten vertrekken!’

(Bron: Mechilta de Rabbi Jisjmael, Besjallach 2).

Uit de eerste rabbijnse parabel kunnen we afleiden wat er in de eerste parabel van Jezus ontbreekt: de ‘vinder’ van de schat die ‘koper’ wordt van de akker doet precies het omgekeerde als de Egyptenaren. Deze hadden een kostbare ‘schat’ in handen maar begrepen dit niet en verkochten lichtzinning de ‘akker’ waarin deze verborgen was. De koper verwerft de schat en kan deze waarderen. In de parabel van Jezus wil iemand juist een ‘schat’ verwerven door het ‘kopen’ van een ‘akker’ die eerst aan iemand anders behoorde. Als we ervan uitgaan dat God de ‘koper’ is in de rabbijnse parabel, dan volgt de ‘koper’ in de parabel van Jezus het voorbeeld van God: hij ‘koopt’ een verborgen schat. In Jezus’ parabel staat deze verborgen schat voor het koninkrijk.

Ga en leer

Deze voorbeelden maken duidelijk dat het bestuderen van rabbijnse parabels, naast die van Jezus, niet alleen nuttig maar ook leuk is. Het zijn meestal interessante kleine verhalen die de parabels van Jezus in de context zetten waarin ze thuishoren: de Joodse wereld van de eerste eeuw, met zijn interne verschillen en conflicten. De Joodse geleerde Hillel, een tijdgenoot van Jezus, gaf iemand die geïnteresseerd was om de Tora beter te leren kennen de raad ‘Ga en leer!’ (Babylonische Talmoed Sjabbat 31a)’ Hetzelfde geldt voor wie meer over parabels wil leren: lees er zoveel mogelijk.

Reageren ?