Home/Bijbelblog/Twee wijzen van zien - Johannes en Plato
Dr. L.T. Witkamp
Hoofd seminarium en coördinator postacademisch onderwijs
Verder lezen

G.H. van Kooten , “The ‘True Light Which Enlightens Everyone’ (John 1:9): John, Genesis, the Platonic Notion of the ‘True, Noetic Light,’ and the Allegory of the Cave in Plato’s Republic,” in: The Creation of Heaven and Earth. Re-interpretation of Genesis I in the Context of Judaism, Ancient Philosophy, Christianity, and Modern Physics, G.H. van Kooten ed. (Leiden-Boston: Brill, 2005) 149-194.

G.H. van Kooten , “The Last Days of Socrates and Christ: Euthrypho, Apology, Crito, and Phaedo Read in Counterpoint with John’s Gospel”, in: Religio-Philosophical Discourses in the Mediterranean World. From Plato, through Jesus, to Late Antiquity, A. Klostergaard Pedersen & G. van Kooten ed. (Leiden-Boston: Brill, 2017) 219-243.

21 juni 2018

Twee wijzen van zien - Johannes en Plato

De evangelist Johannes heeft een eigen versie van het evangelie over Jezus geschreven. Aan alles valt te merken dat hij er diep over nagedacht heeft. Al in de oude kerk noemde men hem daarom ‘de theoloog’. Bij hem zijn de verhalen door een molen gehaald voordat ze op schrift gesteld zijn. De vraag is hoe die molen er uitgezien heeft. Met andere woorden: waar komt Johannes’ manier van kijken vandaan? Natuurlijk treffen we allerlei noties uit het Oude Testament en het Jodendom van die tijd aan. Maar de botstructuur van Johannes’ denken komt bij de Griekse filosoof Plato vandaan.

Plato: pedagoog van het licht

De beroemde gelijkenis van de grot uit Plato´s De Staat, boek VII, is belangrijk. We lezen hier hoe wij zijn als mensen die in een duistere, ondergrondse grot vastzitten. We zien slechts schaduwen van de wereld zelf en van hoe deze echt is.

Plato vertelt dat iemand uit de grot ontsnapt, opklimt en dan boven de grond ‘het ware licht’ ziet. Nadat diens ogen aan het licht gewend zijn geraakt en hij goed rondgekeken heeft, daalt hij weer af om zijn medemensen te vertellen wat hij ervaren heeft. Als een leraar wil hij hen deelgenoot maken van het goede dat hij gevonden heeft. Het blijkt echter dat ze daar beneden helemaal niet willen luisteren en dat ze hem om zijn boodschap zelfs haten en willen doden. Ze blijven liever bij hun halve, schimmige waarheden dan dat ze de echte waarheid accepteren. Het is duidelijk dat Plato hier aan zijn leermeester Socrates denkt. Hij liet zijn tijdgenoten een werkelijkheid zien die onzichtbaar voor hen bleef en dat kostte hem zijn leven.

Plato schrijft veel over Socrates, die op valse beschuldigingen ter dood gebracht wordt. Belangrijk is dat Socrates niet vlucht en met open ogen de gifbeker die voor hem klaarstaat leegdrinkt. Hij troost zijn leerlingen zelfs met kennis en inzicht voordat hij het leven verlaat. De traktaten die dit beschrijven (Euthrypho, Apologie, Crito, Phaedo) zijn in de oudheid veel gelezen en hebben Socrates’ roem verspreid. Zijn manier van sterven werd gezien als het model voor de wijze: zó ga je op een ‘filosofische’ manier om met de onontkoombare dood, dat wil zeggen: zonder angst, verheven en zelfbewust. Jezelf spiegelen aan Socrates betekende een vorm van geestelijke pedagogie.

Het idee dat onze zichtbare wereld in feite slechts een afschaduwing is van de echte, onzichtbare wereld en dat het voor een mens noodzakelijk is om dit door te krijgen heeft veel invloed gehad, ook onder Joden in de eeuwen na Plato. Philo uit Alexandrië, een beroemde Joodse tijdgenoot van Jezus, is het beste voorbeeld. Johannes past in dezelfde sfeer, die van het platoons-hellenistische Jodendom.

Jezus, het ware licht

In de proloog van het evangelie naar Johannes wordt direct duidelijk gemaakt dat we in Jezus te maken krijgen met ‘het ware licht’ (1:9). Net als bij Plato betekent het woordje ‘waar’ hier ‘eeuwig, onvergankelijk, echt’ en vormt het een tegenstelling tot ‘tijdelijk, vergankelijk, onecht’. In deze zin komen we het ook tegen in ‘het ware brood’ (6:32), ‘het ware voedsel’ en ‘de ware drank’ (6:55). Voor Johannes is deze tegenstelling essentieel. Het tijdelijke, vergankelijke en zichtbare is niet slecht, maar beperkt. Het bestaat wel en is in die zin wel echt, maar het is niet het belangrijkste en in die zin niet de échte waarheid. Het wordt zelfs slecht wanneer het aardse zichzelf verabsoluteert. Dan wordt de goede schepping tot negatieve wereld.

We kunnen als voorbeeld denken aan de blindgeborene uit Johannes 9. Onze evangelist heeft het korte verhaal van zijn genezing uitgewerkt tot een heus drama. Hierin wordt de man eerst genezen van zijn letterlijke blindheid. Vervolgens komt hij steeds verder tot inzicht en geneest hij ook van zijn geestelijke blindheid. Omgekeerd worden de tegenstanders, de Farizeeën, steeds kortzichtiger, totdat ze aan het eind zelfs ‘blind’ genoemd worden. Het letterlijke zien is het al te aardse, het geestelijke zien het ware.

Ware aanbidders

Zo ook in het verhaal van de Samaritaanse vrouw in Johannes 4. Stapsgewijs wordt zij in het gesprek met Jezus meegenomen. Eerst verstaat zij hem letterlijk-aards, dan ziet zij hem aan voor een wonderdoener en is er een misverstand over wat ‘levend water’ is, maar uiteindelijk gaat voor haar het licht op en wordt zij door het onderricht van Jezus een ingewijde, die hoort over ‘de ware aanbidders’ (4:23-26). Dezen naderen God op een wijze die ‘geestelijk’ is, want ‘God is geest’ (4:24). Dit impliceert dat God niet meer aan een aardse locatie zoals Jeruzalem of de Gerizim gebonden is, maar slechts ’in geest en waarheid’ gevonden kan worden. Op vergelijkbare wijze spreekt Plato in de Phaedo over de ‘ware filosofen’. Zij zijn het die het lichamelijke achter zich laten en ernaar verlangen de ziel te bevrijden. In beide gevallen is er een beweging van het lichamelijke naar het geestelijke, het ware en universele.

Zien van de tekenen

We kunnen verder denken aan de wonderen van Jezus, die door Johannes ‘tekenen’ genoemd worden. Deze wonderen zijn steeds tweeduidig. Ze kunnen evengoed tot geloof (2:11: 20:30-31) als tot ongeloof (6:26; 12:37) leiden. Het is maar hoe je ernaar kijkt. Zie je alleen de letterlijke, aardse gebeurtenissen, dan zie je zeker iets bijzonders waarmee Jezus bewondering kan oogsten, maar ook niet meer dan dat. Zie je de ware betekenis van wat hij doet, dan onthult dit wonder wie hij echt is, de zoon van de Vader, die als gezant uit het licht onze duisternis verlicht en ons van het donker bevrijdt. Helaas blijken het maar weinigen te zijn die zo’n diep inzicht ontwikkelen. De meesten houden niet van het licht en verzetten zich er tegen (1:5,10-11; 9:4-5; 12:46). Sterker, de boodschapper van de waarheid wordt gehaat en gedood (15:24-25).

Leraar tot het einde

Jezus sterft net zo nobel en verheven als Socrates. Dat begint ermee dat hij zijn leerlingen goed voorbereidt op zijn ‘vertrek’ met onderricht in de zogenaamde afscheidsredevoeringen (Joh 13-17), zoals Socrates ook deed in de Phaedo. Het daaropvolgende verhaal van Jezus’ arrestatie, ondervraging en sterven laat hem zien als degene die alles weet en in de hand heeft (Johannes 18-19). Jezus beseft wat zijn optreden teweegbrengt en gaat, net zoals Socrates, zijn dood autonoom tegemoet (13:3; 18:4).

Het valt daarom op dat er bij Johannes geen gebedsstrijd in Gethsemane voorkomt, zoals in de eerste drie evangeliën, waar Jezus God bidt of de drinkbeker van het lijden hem voorbij mag gaan. Integendeel, wanneer Jezus in de hof gevangen genomen wordt, reageert hij met een retorische vraag: “Zal ik de beker die de Vader mij gegeven heeft soms niet drinken?” (18:9)  Johannes heeft het verhaal van Gethsemane zo te zien wel gekend, maar het na 18:1 weggehaald en omgewerkt. We treffen het nu aan in 12:27-30. Maar hier gaat het niet meer om de bevochten overgave van Jezus zelf, maar de herinnering aan het verhaal wordt tot onderricht voor zijn toehoorders. Zíj moeten iets leren, niet hij. Angst voor de dood heeft ook hij niet gekend en zijn ‘vertrek’ hoorde van meet af aan bij zijn ‘komst’.

Jezus is bij Johannes de leraar die van boven gekomen is, uit het licht, om in de wereld daarvan te getuigen. Bij de hogepriester verklaart hij daarom dat hij altijd in het openbaar zijn onderricht gegeven heeft en niet in het geheim (18:20). Dit punt had Socrates indertijd ook gemaakt. We zien even later dat Jezus ook voor Pilatus recht overeind staat, wanneer hij bij zijn ondervraging verklaart dat hij slechts getuige van de waarheid is, en alleen in die zin een vorst. In de termen van Plato: als hij al een koning is, dan een filosoof-koning. De manier waarop hij sterft bevestigt zijn houding als ‘filosoof’. We horen hoe hij in het uur van zijn dood als een goede zoon zorgt voor zijn moeder, dat hij dorst heeft en dat hij zelf zijn leven neerlegt met de woorden: “Het is volbracht” (19:25-30). Dit heeft meer dan aardse betekenis. Jezus draagt zorg voor de toekomst van de kerk. Hij verwoordt zijn verlangen (‘dorst’) om terug te keren naar zijn zender en beëindigt zelf zijn aardse leven in het volle besef dat zijn taak vervuld is. Wie ogen heeft ziet het. Tot op het laatst blijft hij zo de van boven gezonden pedagoog.

Conclusie

Johannes en Plato kennen beiden het denken in de twee lagen van ‘boven’ en ‘beneden’, waarbij ‘boven’ het ware, echte en eeuwige is en ‘beneden’ het tijdelijk, vergankelijke en onechte. Beiden kennen een boodschapper van de echte waarheid, respectievelijk Jezus en Socrates. Jezus en Socrates zijn pedagogen van het ware licht en sterven vanwege hun boodschap. Zij dagen in hun woorden, hun leven en hun sterven de mensen uit meer te zien dan voorhanden is en roepen daarmee veel verzet op. Hun dood is echter geen noodlot, maar onderdeel van hun zelf aanvaarde taak. De manier waarop zij sterven laat daarom niet hun mislukking, maar hun hoogheid zien. Toch overtreft Jezus Socrates wel. Want mocht van Socrates gelden dat hij uit de grot omhoog geklommen is om boven rond te kijken, Jezus heeft nooit gevangen gezeten. Hij was boven kind aan huis. Hij komt ‘van al zo hoge’ en keert terug naar zijn zender wanneer zijn werk voltooid is.