Bekwaamheid en haar ongewisse resultaten: Voetius over Prediker
Op 11 november is het 350 jaar geleden dat Gisbertus Voetius overleed. De Utrechtse theoloog staat de komende maand op diverse manieren in de belangstelling. Er is op de sterfdatum een lunchconcert in de Sint Catharina kathedraal. Op 14 november zijn alle belangstellenden welkom bij een ochtend in de Janskerk over “Voetius: zijn betekenis voor vandaag”. En tussendoor is er ook nog een wetenschappelijk congres. Voor het Bijbelblog is de 350ste sterfdag van Voetius een aanleiding om Voetius als exegeet voor het voetlicht te brengen.
Voetius en de Bijbel
Toen hij overleed, had Gisbertus Voetius ruim vier decennia lang in Utrecht theologie gedoceerd. Hij had vele studenten opgeleid en liet een substantieel oeuvre na: veel geleerde verhandelingen, enkele preken en ook geschriften in het Nederlands. In de preek bij Voetius’ overlijden vertelt zijn voormalige student en collega-predikant Cornelius Gentman (1617-1696) dat critici hem zagen als een hoofd van een beweging: de leerlingen werden “voetianen” genoemd. Die term zou tot in de achttiende eeuw in de Nederlandse kerk aanduiding blijven van een theologische richting. Die typering is niet bruikbaar zonder reserves en kanttekeningen. Tegelijk laat de term zien dat deze predikant en hoogleraar de reputatie had van leiding te hebben gegeven.
Voetius was “hoogleraar in de Heilige Schriften”. Die functieomschrijving noemt althans, aan het begin van zijn lange loopbaan, zijn gedrukte oratie van 1634. Inderdaad zijn in zijn vele werken talloze Bijbelverzen aangehaald, uitgelegd, als argument gebruikt. Voetius schreef over het gezag van de Schrift en over de relatie tussen Bijbel en wetenschap. Maar zuiver exegetische verhandelingen heeft hij niet zo vaak gepubliceerd. Eén van zulke verhandelingen is een disputatie met de titel “Uitleg van Prediker 9 vers 11”. Deze disputatie was een oefentekst, door Voetius als hoogleraar geschreven. Een student, de respondent, moest zich de inhoud ervan eigen maken en die tijdens een openbare zitting kunnen verdedigen tegen kritische vragen. Deze verhandeling over Prediker 9 is gepubliceerd in het vierde deel van de Geselecteerde theologische disputaties (Selectae disputationes theologicae), een band die in 1667 verscheen. Student Barthold van Hattem had die tekst van Voetius een jaar eerder als respondent tijdens een in Utrecht gehouden disputatie verdedigd. Over Van Hattem is verder niet veel bekend. Hij was in 1662 in Utrecht komen studeren. Na zijn studie, van 1671 tot aan zijn overlijden in 1711, werkte hij als predikant in Vleuten.
Prediker 9 vers 11
Voetius schreef dus over Prediker 9 vers 11. In de Statenvertaling van 1637 staat daar, in een enigszins gemoderniseerde spelling:
Ik keerde mij en zag onder de zon dat de loop niet is van de snellen, noch de strijd van de helden, noch de spijs van de wijzen, noch ook de rijkdom van de verstandigen, noch ook de gunst van de wel-wetenden: maar dat tijd en toeval deze allen wedervaart.
De Nieuwe Bijbelvertaling 2021 vertaalt het vers zo:
Ik heb onder de zon opnieuw gezien dat niet altijd een snelle hartloper de wedloop wint, een sterke held de oorlog, dat niet altijd degene die wijs is zijn brood heeft, en hij die inzicht heeft de rijkdom, hij die bekwaam is het respect. Zij allen zijn afhankelijk van tijd en toeval.
Methode en bronnen
Voetius’ uitleg was opgezet in drie stappen. Na een “woordelijke interpretatie” volgde eerst een “reële interpretatie” en dan een bespreking van de “stellingen” of inzichten die de tekst aanreikt. (1) Voetius ging eerst de diverse vertaalmogelijkheden en betekenissen na van de meeste Hebreeuwse woorden die in het vers voorkomen. Hij liet zien hoe exegeten en Bijbelvertalingen de woorden weergaven en uitlegden. Soms liet hij opties naast elkaar bestaan, soms beargumenteerde hij zijn voorkeur. (2) Vervolgens behandelde Voetius waar de woorden over gaan: welke werkelijkheid beschrijft dit vers, wat is de betekenis ervan? (3) Ten slotte formuleerde hij twee theologische stellingen over de thematiek van het Bijbelvers. Voor die stellingen leverde hij aanvullende argumenten, geput uit andere bronnen dan het besproken Bijbelvers zelf. Op die manier werd het enkele vers in verband gebracht met andere theologische inzichten. Daarmee eindigde het betoog.
Voetius’ literatuurverwijzingen zijn zeer divers. In zijn Oefeningen en bibliotheek van de theologiestudent (Exercitia et bibliotheca studiosi theologiae) van 1644 had hij zijn studenten vier commentatoren van het Bijbelboek Prediker aanbevolen. Hetzelfde viertal stond ook nog in de uitgebreide editie van 1651. De eerstgenoemde commentator was Johannes Mercerus of Jean Mercier (ca. 1510-1570), een talentvolle Franse hebraïst. Voetius noemde daarna een schrijver die lastig te identificeren is: “Iohannes Costeus”. Misschien is hier een zetfout in het spel en werd Johannes Coccejus (1603-1669) bedoeld, die in 1636 een commentaar op Prediker publiceerde. Verder beval Voetius zijn studenten de commentaren van twee jezuïeten aan: Jean de Lorin (1559-1634) en Cornelius a Lapide (1567-1637).
In 1667 lijkt Voetius in zijn “Uitleg van Prediker 9 vers 11” alleen nog Jean Mercier (diverse malen) en Jean de Lorin (eenmaal) te citeren. Hij gebruikte nu andere uitleggers, bijvoorbeeld de gereformeerde hebraïcus Sebastian Münster (1488-1552), die bij zijn Hebreeuwse teksteditie een Latijnse vertaling publiceerde. Uit gereformeerde hoek wordt ook de vertaling van Emmanuel Tremellius (1510-1580) en Franciscus Junius (1545-1602) bij herhaling aangehaald. Verder noemt Voetius meer dan eens rooms-katholieke commentatoren zoals Arias Montanus (1527-1598), Santes Pagnino (1470-1536), Juan de Pineda (1558-1637) en Juan de Mariana (1536-1624). Oude vertalingen zoals de Peshitta en Septuaginta worden geciteerd, naast de recentere Bijbel van Zürich. Maar ook de Targum en middeleeuwse joodse exegeten zoals Aben Ezra (ca. 1089-1167) en Schelomo Jarchi (Rashi, 1040-1105) worden genoemd. Voetius’ referentiekader was breed.
Exegetische keuze
Nadat Voetius aan de hand van zulke exegetische bronnen de woordbetekenissen en mogelijke vertalingen van Prediker 9 vers 11 analyseerde, kwam hij tot de vraag wat de boodschap van het vers als geheel was (de “reële interpretatie”). Hij gaf aan dat er verschillende opvattingen bestonden:
Er zijn er die van mening zijn dat deze woorden niet van Salomo zijn, maar van een domme Epicureër, die Salomo sprekend invoert tegen de goddelijke voorzienigheid; alsof hier voor alle inspanning wordt gewaarschuwd omdat alle dingen van het toeval en de fortuin afhangen. Een dergelijke betekenis lijken [Juan de] Mariana, de vertaling van Zürich, en de boven geciteerde [François] Vatable aan te nemen.
Anderen willen liever dat er een nieuwe vluchtigheid (“ijdelheid”) door Salomo wordt voorgesteld, zoals Olympiorodus [van Alexandrië], [Nicolaas van] Lyra, Bonaventura, [Franciscus] Titelmans, Cajetanus, Johannes van Campen, Johannes de Pineda, Lorinus. Met deze interpretatie stemmen wij in.
Volgens Voetius bevat Prediker 9 vers 11 twee delen. Het eerste deel ontkent dat menselijke kwaliteiten van snelheid, wijsheid, kracht enzovoort op zichzelf voldoende zijn om hun natuurlijke of beoogde doel te realiseren. Het tweede deel zegt dat het resultaat afhangt van tijd en toeval. Wat voor aardse waarnemers toevallig is, omdat de zaken ook heel anders hadden kunnen lopen, ontsnapt echter niet aan Gods ordenende hand. Als de Prediker het heeft over tijd en toeval, zegt hij volgens Voetius niet alleen dat historische gebeurtenissen toevallig zijn, maar impliciet ook dat de gebeurtenissen van Gods besturing afhankelijk zijn.
Twee lessen
Daarna formuleerde Voetius twee algemene lessen. De eerste les was dat alle gebeurtenissen, vooral de in zichzelf toevallige, tot stand komen door de besturing van God. Het Godsbestuur was in de besproken tekst niet expliciet genoemd, en Voetius had slechts heel kort beargumenteerd waarom met “tijd en toeval” in feite de leiding van God was bedoeld. Hij verwees naar de “analogie van het geloof of van de Schrift”, dus naar wat andere Bijbelteksten expliciet uitspreken. En hij was van mening dat de woorden “ik heb mij gewend en heb waargenomen” betekenen dat de Prediker zelf een nieuwe vergeefsheid (vanitas) gaat beschrijven, en dat in deze tekst niet opeens een Epicureër sprekend wordt ingevoerd. (Als het vers wel de mening van een Epicureër zou weergeven, dus van iemand die ontkent dat de godheid zich actief met de wereld bemoeit, zou er geen belijdenis van Gods voorzienigheid in besloten liggen.)
De tweede les was dat ook de ijverigste en meest onderlegde mensen het doel kunnen missen dat eigenlijk in hun gaven en talenten besloten ligt. Redenen voor die laatste stelling zijn de “onwetendheid, vergeetachtigheid, en onoplettendheid waartegen een mens in dit leven absoluut en volstrekt niet immuun is of zijn kan, niet alleen in geestelijke aangelegenheden, maar ook in wetenschappen en kunsten.” Ook bekwame mensen hebben hun beperkingen en uiteindelijk bepaalt God de loop der dingen. Dat laatste moest overigens niet zo misverstaan worden alsof menselijke acties er niet toe zouden doen. Voetius bestreed juist het idee dat de mens alleen maar passief was. Wie zo dacht, miskende de verantwoordelijkheid die de mens als “tweede oorzaak” had.
Kern
Volgens Voetius beschrijft de Prediker in vers 11 van hoofdstuk 9 dus een nieuwe leegte of vergeefsheid: mensen realiseren niet vanzelf wat gezien hun aanleg en talenten bereikbaar zou zijn. Wat tot stand komt, is afhankelijk van “tijd en toeval”, die op hun beurt door God worden bestuurd. Die verwijzing naar Gods leiding, ook van op zichzelf toevallige gebeurtenissen, was overigens niet alleen een gereformeerd inzicht. Voetius had deze uitleg kunnen lezen bij de joodse exegeet Ibn Ezra, zoals Sebastian Münster en Jean de Lorin lieten zien. En ook de door Voetius genoemde Jezuïet Juan de Pineda verwees in zijn erudiete commentaar op dit vers uitvoerig naar Gods voorzienigheid.
Als exegeet toonde Voetius hier dus oog te hebben voor taalkundige kwesties, voor exegetische alternatieven en voor analyses vanuit allerlei confessies (joodse, rooms-katholieke, protestantse), waarbij hij het enkele bijbelvers ook wilde begrijpen binnen het bredere kader van de geloofsleer.