Naar hoofdinhoud
De ingenomen standpunten zijn die van de auteur, niet per se die van de PThU.
Heb je een vraag of goed idee voor het bijbelblog?

Waarzeggerij? De toekomst voorspellen met de hulp van pijlen in het Oude Testament en in pre-islamitisch Arabië

3 september 2026

Mensen kunnen niet in de toekomst kijken. Tegelijk willen we graag weten wat de toekomst brengt. Daarom bestaan er in veel culturen vormen van waarzeggerij, orakelpraktijken of manieren om de toekomst te voorspellen. In het Engels worden deze samengebracht onder de term divination: praktijken waarbij men probeert toekomstige gebeurtenissen te voorspellen of verborgen kennis te ontdekken met hulp van bovennatuurlijke krachten.

Waseem Raza

In het oude Nabije Oosten gebruikten mensen daarvoor verschillende methoden, zoals het bestuderen van ingewanden van dieren, maar ook het werpen van stenen of beschilderde voorwerpen. Een alternatieve vorm was het voorspellen van de toekomst door het gebruik van pijlen. In deze blog kijk ik naar deze vorm van het voorspellen van de toekomst. Ik vergelijk daarbij het Oude Testament met gegevens uit pre-islamitisch Arabië, waar deze praktijken veel beter zijn gedocumenteerd. Door beide tradities naast elkaar te leggen, wordt duidelijk dat zij een gezamenlijke culturele achtergrond hebben, maar ook dat men verschillend omgaat met de betekenis van deze vormen van toekomst voorspellen.

In Ezechiël 21:26 wordt beschreven hoe de koning van Babylonië pijlen gebruikt om een voorteken te kunnen ontvangen:

Op de splitsing van de weg, aan het begin van de twee wegen, staat de koning van Babylonië, en hij vraagt om een teken. Hij schudt de pijlen, hij raadpleegt zijn godenbeeldjes, hij bekijkt de lever.

Een door AI gemaakte reconstructie van een Babylonisch levermodel dat werd gebruikt om de toekomst te voorspellen.Zie voor een afbeelding ook: https://www.bmimages.com/preview.asp?image=00032437001

Dit voorbeeld laat zien dat de toekomst voorspellen met de hulp van pijlen deel uitmaakte van een bredere religieuze cultuur in het oude Nabije Oosten. De koning gebruikt verschillende rituelen: hij werpt het lot met pijlen, raadpleegt de terafim (huisgoden) en onderzoekt de lever van een offerdier. Op deze manier probeerde hij de wil van de goden te kennen voordat hij een belangrijke beslissing neemt, zoals het beginnen van een oorlog.

Het Oude Testament bevat voorbeelden waarin het werpen van het lot neutraal of zelfs positief wordt beschreven. Zo worden de urim en tummim (Ex 28:30; Num 27:21) genoemd als middelen om Gods leiding te zoeken. Ook bij de verdeling van het land onder de stammen van Israël werd het lot gebruikt (Joz 14). Deze voorbeelden laten zien dat zulke rituelen om Gods wil te zoeken onder bepaalde omstandigheden waren toegestaan.

Toch is de houding van het Oude Testament tegenover het voorspellen van de toekomst of waarzeggerij niet overal hetzelfde. In Deuteronomium 18:10–12 worden verschillende vormen nadrukkelijk verboden. Dit staat niet los van een theologische visie. Deuteronomium legt de nadruk op profetische openbaring en op manieren om Gods wil te kennen die door God zelf zijn ingesteld. Tegen deze achtergrond is het interessant om een vergelijkbare praktijk in het pre-islamitische Arabië te bekijken.

Polytheïsme en het voorspellen van de toekomst in pre-islamitische Arabië

Het pre-islamitische Arabië kende een grote religieuze verscheidenheid en was overwegend polytheïstisch. Elke god was verbonden met een bepaald aspect van het leven, zoals vruchtbaarheid, regen, oorlog of bescherming.

De Arabische historicus en lexicograaf Hishām ibn al-Kalbī (8e–9e eeuw na Christus) stelde een uitgebreid overzicht van deze goden samen in zijn Kitāb al-Āṣnām ("Het Boek van de Afgoden"). Dit werk is een beknopt woordenboek van de voor-islamitische goden in Arabië en kan worden vergeleken met de Dictionary of Deities and Demons, een bekend naslagwerk onder Bijbelwetenschappers en theologen. Hoewel Hishām niet uitdrukkelijk schrijft dat er 365 goden waren, laat zijn uitgebreide beschrijving van goden en godenbeelden – waarvan sommige in de Kaʿba stonden – zien dat men leefde in een wereld waarin het leek alsof er voor elke dag van het jaar een eigen god bestond. Latere bronnen maakten hiervan de bekende voorstelling dat Arabië 365 goden kende, waarschijnlijk vanwege de symbolische betekenis van dat getal: één god per dag.

Over het hele Arabisch Schiereiland stonden tempels en heiligdommen die aan deze goden waren gewijd. Mensen brachten er offers, vroegen om vergeving en raadpleegden de goden door middel van verschillende vormen van orakel- of voorspelpraktijken.

De rol van voorspellers en lotwerpers in Arabië

Binnen dit religieuze systeem speelden voorspellers of waarzeggers, bekend als kāhins – een term die mogelijk verwant is aan het Hebreeuwse kōhēn (priester) – en lotwerpers een belangrijke rol. Zij traden op als bemiddelaars tussen mensen en de goden. Hun hulp werd ingeroepen bij persoonlijke en gezamenlijke beslissingen, zoals de vraag of iemand op reis moest gaan, een huwelijk moest aangaan of wel of geen oorlog moest beginnen.

Een veelgebruikte vorm van voorspellen was het trekken of werpen van pijlen. Deze praktijk stond bekend als al-azlām. Meestal werden drie pijlen gebruikt. Op de eerste stond: "God wil dat je dit doet." Op de tweede: "God wil dit niet." De derde pijl bleef ongemerkt. De getrokken pijl bepaalde welke beslissing moest worden genomen. Deze pijlen werden vaak bewaard in tempels en gebruikt door religieuze specialisten.

Door AI gemaakte voorstelling van pijlen die werden gebruikt voor waarzeggerij.

Deze praktijken laten zien dat men geloofde dat het lot kenbaar was en kon worden afgelezen uit goddelijke voortekens. Bovendien laten ze zien dat religieuze specialisten groot gezag hadden. Zelfs stamhoofden legden zich bij belangrijke beslissingen neer bij het oordeel van de voorspeller.

Terminologie en overeenkomsten

De woorden die worden gebruikt voor voorspellen of waarzeggerij in de Bijbel en pre-Islamitisch Arabië geven een waardevol inzicht in de gedeelde erfenis van de Semitische talen en culturen. Neem bijvoorbeeld het Arabische woord saʿd (سَعْد), dat "geluk" of "voorspoed" betekent, en naḥs (نَحْس), dat "ongeluk" of "tegenspoed" betekent. Het woord naḥs is nauw verwant aan het Hebreeuwse naḥash (נחש), dat verwijst naar het zoeken van verborgen kennis of voorspellingen. Zowel de Arabische wortel n-ch-s als de Hebreeuwse wortel n-ch-sj hebben betrekking op het uitleggen van tekenen en het ontdekken van verborgen kennis.

Ook de Arabische wortel q-s-m – waarvan het werkwoord istaqsamū (استقسموا, "het lot raadplegen" of "het lot bepalen") is afgeleid – is nauw verwant aan het Hebreeuwse qesem (קֶסֶם), een woord dat eveneens "voorspellen, waarzeggerij" betekent en voorkomt in Deuteronomium 18:10–14.

Ook de rol van de voorspeller vertoont in beide tradities duidelijke overeenkomsten. Het zoeken naar goddelijke leiding door middel van voortekenen of orakels had een grote culturele betekenis. Toch wijzen zowel het Oude Testament als de Koran deze praktijken af wanneer zij verbonden zijn met andere goden. Beide benadrukken dat beslissingen uiteindelijk gebaseerd moeten zijn op een persoonlijke relatie met de ene God en niet op voorspellen of waarzeggerij.

De Bijbelse afwijzing van het voorspellen van de toekomst

Hoewel het Oude Testament laat zien dat het voorspellen van de toekomst of waarzeggerij voorkwam in de omringende volken en soms ook in de geschiedenis van Israël zelf, is de houding tegenover deze praktijken niet overal hetzelfde. Zoals gezegd worden sommige vormen nadrukkelijk afgewezen, vooral wanneer mensen via rituelen die verbonden zijn met andere goden dan JHWH verborgen kennis proberen te verkrijgen.

Deze afwijzing komt het duidelijkst naar voren in Deuteronomium 18:10–12. Daar worden waarzeggerij, toverij, de toekomst voorspellen, en bezweringen veroordeeld. De tekst besluit dat zulke praktijken een gruwel zijn voor JHWH (“de HEER verafschuwt mensen die zulke dingen doen” (NBV21)). Volgens de Deuteronomium komt goddelijke leiding door profetische openbaring tot stand en niet door rituelen die de toekomst voorspellen.

Tegelijkertijd komen bepaalde praktijken, vooral het werpen van het lot, wel voor in de vroege tradities van Israël. Zo werd het land onder de stammen verdeeld door het lot (Joz 18) en werd in Numeri 27:21 Gods leiding gezocht met behulp van de urim. Deze voorbeelden worden echter voorgesteld als rituelen die onder Gods gezag plaatsvinden en niet als zelfstandige technieken om de toekomst te voorspellen. Binnen de Bijbelse traditie ligt het gezag uiteindelijk bij de profeten, die namens JHWH spreken, en niet bij waarzeggers die vertrouwen op rituele tekenen.

Samen laten deze teksten een theologische ontwikkeling zien waarin oudere of gedeelde gebruiken opnieuw worden geïnterpreteerd en duidelijker worden afgebakend. Terwijl teksten als Deuteronomium 18:10–12 en Leviticus 19:26, 31 bepaalde vormen van waarzeggerij verbieden, laten andere Bijbelgedeelten zien dat het werpen van het lot in bepaalde, zorgvuldig gereguleerde situaties een plaats had. Deze spanning benadrukt centrale Bijbelse thema's zoals gehoorzaamheid, trouw aan het verbond en vertrouwen op de vormen van openbaring die God zelf heeft gegeven. Daarmee ontstaat een eigen visie op religieuze praktijk binnen het oude Israël.

De afwijzing van waarzeggerij in de Koran

De Koran

De islam ontstond als een hervormingsbeweging die zich keerde tegen het polytheïsme in Arabië. De Koran spreekt zich dan ook duidelijk uit tegen vormen van waarzeggerij, zoals het raadplegen van pijlen om beslissingen te nemen. In soera al-Māʾidah (5:3) staat:

"En het is verboden dat jullie beslissingen zoeken door waarzeggerspijlen; dat is ernstige ongehoorzaamheid."
wa-an tastaqsimū bil-azlām dhālikum fisq (وَأَنْ تَسْتَقْسِمُوا بِالْأَزْلَامِ ذَٰلِكُمْ فِسْقٌ)

Het werkwoord tastaqsimū is afgeleid van de wortel q-s-m en verwijst naar het vaststellen van iemands aandeel of lot door middel van een ritueel. Het gaat om praktijken waarbij men, bijvoorbeeld door pijlen te trekken, probeert te ontdekken wat de toekomst zal brengen. De Koran wijst niet alleen deze handeling af, maar ook de gedachte erachter: dat mensen Gods plan zouden kunnen kennen of beïnvloeden door middel van waarzeggerij.

Klassieke uitleggers, zoals al-Zamakhsharī, al-Ṭabarī en Ibn ʿAbbās, bevestigen dat deze praktijk in pre-islamitisch Arabië veel voorkwam. Mensen raadpleegden de pijlen bij allerlei beslissingen, van handel en huwelijk tot oorlog tussen stammen. De afwijzing van deze praktijk heeft daarom zowel een theologische als een maatschappelijke betekenis. Zij ondermijnt het gezag van religieuze bemiddelaars die hun autoriteit ontleenden aan het voorspellen van de toekomst en verlegt de bron van goddelijke leiding naar profetie.

Conclusie: gedeelde praktijken, verschillende theologie

Het werpen van het lot – met pijlen, dobbelstenen of andere voorwerpen – biedt een waardevolle blik op de religieuze denkwereld van oude Semitische culturen. Van Babylonië tot Arabië laten deze praktijken zien hoe sterk het menselijke verlangen was om het onbekende te kennen en in tijden van onzekerheid inzicht te krijgen in de wil van de goden.

Tegelijkertijd laten zowel het Oude Testament als de Koran een ontwikkeling zien waarin de nadruk verschuift van rituele vormen om de toekomst te voorspellen naar een relatie met God die is gebaseerd op openbaring, ethisch handelen en bewuste gehoorzaamheid.

Hoewel beide tradities voortkomen uit een gedeelde geschiedenis van religieuze ideeën en gebruiken, ontwikkelen zij uiteindelijk verschillende theologische visies op de relatie tussen God en mens. Het bestuderen van deze overeenkomsten helpt ons niet alleen om de religies van het oude Nabije Oosten beter te begrijpen, maar laat ook zien hoe religieuze tradities zich in de loop van de tijd aanpassen en veranderen.

Voor moderne lezers vormen deze oude teksten een herinnering aan iets dat nog steeds herkenbaar is. De middelen waarmee mensen richting zoeken kunnen veranderen, maar het verlangen naar houvast in tijden van onzekerheid is van alle tijden. Wat verschilt tussen culturen en religieuze tradities, is de manier waarop die leiding wordt gezocht en het beeld van God waarop men uiteindelijk vertrouwt.

Waseem Raza is alumnus van de PThU. Zijn onderzoek richt zich op de Hebreeuwse Bijbel, bijbelse parallellen in pre-islamitisch Arabië, de receptie van de Hebreeuwse Bijbel in de Koran, en de contextualisatie van de Bijbel.