Lang leve de vrijheid? – Wat het betekent om écht vrij te zijn
Nederlanders houden enorm van vrijheid. Als er iets is waar Nederlanders een hekel aan hebben, dan is het mensen die zeggen wat je wel en niet mag doen, laat een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau zien. Het is dan ook niet zo vreemd dat Bevrijdingsdag, 5 mei, een belangrijke plaats inneemt in onze nationaal zelfbewustzijn. Elk jaar vieren we dan de bevrijding van de bezetting door Nazi-Duitsland. Dit jaar is het alweer 81 jaar geleden dat Nazi-Duitsland zich overgaf. Uiteraard kan de bezetting ons allerlei lessen leren over de waarde van vrijheid. Maar in deze blog richt ik me niet op de periode dat de Duitsers in Nederland de dienst uitmaakten, maar op de periode nét na de bevrijding. Wat Nederland die eerste dagen na de bevrijding deed, kan ons namelijk iets leren over hoe we vandaag de dag met vrijheid om moeten gaan.
De dagen na die eerste Bevrijdingsdag
6 en 7 mei 1945. Na vijf jaren van bezetting en een hongerwinter verlopen de eerste dagen na de bevrijding rommelig. Op verscheidene plekken houden plaatselijke nazi-eenheden zich nog tegen beter weten in verscholen in gebouwen en kazernes. In de bevrijde steden is het feest, of tenminste, voor een groot deel van de bevolking. Nu het volk vrij is, moet er ook met de volksverraders afgerekend worden. Niet in de laatste plaats geldt dit voor de vrouwen en meisjes die een relatie waren aangegaan met Duitse soldaten of collaborateurs. Ze worden “moffenmeiden” genoemd.
Op verschillende bevrijde plekken in het land beginnen Nederlanders hun opgekropte woede- en wraakgevoelens de vrije loop te laten op deze vrouwen. Vaak zijn het niet eens alleen verzetsstrijders die dit deden, maar vooral ook “normale” Nederlanders die tijdens de oorlogsjaren vooral hun leven probeerden te leven. In Amsterdam, Den Haag, Utrecht en Noordwijk worden de vrouwen in kwestie publiekelijk door de straten gesleurd, kaalgeschoren, bespuugd en vernederd. In sommige gevallen wordt er met pek een hakenkruis op de kale hoofden geschilderd. In Rockanje en Kampen gebeurt dit zelfs met goedkeuring en/of aanmoediging van de plaatselijke (bevrijde) overheid. Onderzoek van de Kampen historicus Laurens Hooisma laat zien dat dit niet alleen vrouwen van hooggeplaatste NSB’ers waren, maar soms ook kinderen zo jong als 14 of 15 jaar die (zoals pubers wel eens vaker hebben) verliefd waren geworden. Door krachten buiten hun macht werden zij echter verliefd op een soldaat van nog geen 3 jaar ouder. Deze kinderen worden door mannen die twee of drie keer zo oud als zij waren door de straten gesleurd en bespuugd.
Ook in Haarlem is het raak. Corrie ten Boom, de bekende verzetsvrouw, schrijft er het volgende over:
Een oudere vrouw wordt nu naar voren getrokken. Zij verweert zich, zij is woest. Fel kijken haar donkere ogen. Het volk om mij heen giert van het lachen. Dit is nog veel mooier dan die eerste, die zich gedwee liet scheren. De vrouw kan niet tegen de overmacht op en haar hoofd wordt kaalgeschoren, evenals het keurig geonduleerde kopje van het volgende slachtoffer, een knap meisje, dat verbeten zich laat behandelen. Daar zet één uit het volk het Wilhelmus in en zij moet de maat slaan. Ik ga weg. Het Wilhelmus is mij zo heilig. Wat is dit erg.
Ik kan niet oordelen over hoe het moet zijn geweest om in bezettingstijd te leven – ik weet niet wat voor gevoelens dat bij mensen oproept. Maar ook mensen in die tijd, zoals Corrie ten Boom, hadden haarscherp door dat dit niet is hoe vrijheid gevierd moest worden. Nederland was vijf jaar lang slachtoffer geweest van het recht van de sterkste. Je zou misschien verwachten dat we na de bevrijding nooit meer iemand dat zouden toewensen. Maar nee, zodra de rollen waren omgedraaid deed het bevrijde Nederland net zo goed mee aan het recht van de sterkste. Is dit wat vrijheid betekent?
Dienende vrijheid
In de bijbel komt vrijheid vaak terug. Maar vrijheid wordt op verschillende plekken ook gekoppeld aan verantwoordelijkheid. Dat komt misschien nog wel het meest duidelijk naar voren in 1 Petrus 2:11-17.
11 Geliefde broeders en zusters, u bent als vreemdelingen die ver van huis zijn; daarom vraag ik u dringend niet toe te geven aan wereldse begeerten, die uw ziel in gevaar brengen. 12 Leid te midden van de heidenen een goed leven, opdat zij die u nu voor misdadigers uitmaken, door uw goede daden tot inzicht komen en God eer bewijzen op de dag waarop Hij komt rechtspreken. 13 Erken omwille van de Heer het gezag van de overheden die door mensen zijn aangesteld: van de keizer als de hoogste autoriteit 14 en van de gouverneurs, door hem afgevaardigd om misdadigers te straffen en om te belonen wie het goede doen. 15 God wil namelijk dat u door het goede te doen onwetende dwazen de mond snoert. 16 Handel als vrije mensen, maar ook als dienaren van God, want u moet u niet achter uw vrijheid verschuilen om u te misdragen. 17 Houd iedereen in ere, heb uw broeders en zusters lief, heb ontzag voor God en eerbiedig de keizer.(Bron: NBV21)
Hier zet de schrijver uiteen hoe christenen zich dienen te gedragen in de samenleving. Hij schetst christenen als vreemdelingen die ver van huis zijn en waarschuwt dat we niet moeten zwichten voor groepsdruk en intimidatie. Nee, het is onze opdracht om een goed leven te leiden. Ondanks de omstandigheden waarin we ons bevinden. Dat is een opdracht die zowel in bezetting als bevrijding zou moeten gelden: leef je leven zo, dat zij die je nu intimideren door jouw goede daden tot inzicht komen en God eer bewijzen. Het belang van een overheid die misdadigers straft en mensen die het goede doen beloont lijkt daarbij een vanzelfsprekendheid in de tekst, maar de vroege meidagen in ’45 tonen dat dat niet per se het geval is. Blijkbaar lukt het ons niet om onder alle omstandigheden de zelfbeheersing op te brengen om altijd het goede te doen en is er dikwijls een legitieme overheid nodig om onze kwade neigingen in toom te houden.
Betekent dit, dat christenen ook altijd de overheid moeten eren, zoals in vers 13 en 14 te lezen is? Wat betekent dat dan wanneer de overheid een bezettingsmacht is? Dat kan toch niet kloppen? Over dit onderwerp zijn al vele discussie gevoerd, vaak aan de hand van de meer bekende tekst over hetzelfde onderwerp: Romeinen 13:1-7. Wat de tekst uit 1 Petrus inbrengt in deze discussie, is dat de oproep tot gehoorzaamheid hier ingemetseld is in een betoog om ‘het goede’ te doen. Het belangrijkste is om een goed leven te lijden en daarmee te getuigen van God. Het eren van de overheid staat in het licht van ontzag hebben voor God (vers 17). Uiteindelijk staan we in dienst van Hem, zowel in een bezet als in een vrij land.
Dus ja, we zijn vrij. We leven in een vrij land en we mogen leven als vrije mensen. Maar, tegelijkertijd is dat geen excuus om maar te doen wat je wilt. We zijn dienaren van God. In de vrijheid die ons is gegeven is het onze plicht om het goede te doen (vers 12, 15). Zoals Christus is gekomen om te dienen, worden ook wij opgeroepen om te dienen.
De dagen na de 81e Bevrijdingsdag
Voor ons vandaag zou dit ook wat te zeggen moeten hebben. Op 5 mei vieren we de verworven vrijheid. We denken op 4 mei terug aan de offers die gebracht zijn voor onze vrijheid, maar op 5 mei zouden we wellicht eens moeten nadenken welke offers we moeten blijven brengen om daadwerkelijk in vrijheid te leven en te vieren. Vrijheid brengt verantwoordelijkheid: om kwetsbare schepsels te beschermen, om hen die achter dreigen te blijven, mee te nemen. Dat is echte vrijheid. De vrijheid om het goede te doen.
6 en 7 mei 2026. Op 5 mei hebben we onze bevrijding gevierd. Maar wat we op de dagen na die bevrijding doen, dat laat pas echt zien of we doorhebben wat vrijheid inhoudt.