Als je naam maar op een gebouw staat
President Donald Trump ziet zijn eigen naam graag op gebouwen staan. Diverse media berichtten de afgelopen maand over het verlangen van Trump om ‘naam te maken’ (zoals de New York Times, BNR en NOS). Hotels, casino’s, congrescentra, maar ook een spaarplan voor kinderen of een visum voor rijke migranten (Trump Gold Card); het draagt allemaal de naam van de president van de VS. Er is zelfs een Wikipedia-pagina met een recente lijst van zaken die naar Trump vernoemd zijn. In dit blog bespreek ik hoe je vanuit de Bijbel kunt kijken naar dit verlangen om naam of faam te maken. Is het verkeerd, goed of juist neutraal?
Naam geven en naam maken als diepmenselijk verlangen
Je naam doet ertoe. Ouders denken na over welke naam ze hun kind zullen geven, een kind corrigeert een vriendje als zijn naam verkeerd wordt uitgesproken en ouderen kunnen het als een gemis ervaren wanneer niemand ze meer bij hun voornaam kent. Een naam maakt ons aanspreekbaar en werkt als identificatie- en representatiemiddel. Het koesteren van de naam van een dierbare gaat daarom ook door in en na de dood. Niet voor niets schrijven we een naam op een grafsteen en blijven we de naam van een dierbare noemen. Want zeggen we: zolang je naam genoemd wordt, ben je niet vergeten.
Hiermee verbonden is ook ons verlangen om zelf naam te maken. Je plakt een sticker met je naam op een object, je laat initialen in een overhemd borduren of je plaatst je naam op een zelf gecreëerde tekening of kunstwerk. Met een naam vertegenwoordig je jezelf, identificeer je objecten als jouw eigendom en zorg je ervoor dat je naam ook bestaat buiten jezelf. We kunnen dit verlangen om zelf naam te maken verbinden met een zoektocht naar eer of juist met angst of gebrek aan erkenning. Religiewetenschappers verbinden dit verlangen vaak met het streven om na onze dood te blijven voorbestaan. Simpel gezegd: grote daden willen doen, onze naam op een object schrijven, maar ook een kinderwens of de hoop dat mensen je gedenken na je dood, kun je zien als een verlangen om jouw naam na je dood voort te laten bestaan. Dit hoort bij ons menszijn.
Naam maken als oud-oosterse strategie
In oud-oosterse teksten is het streven naar naam of faam een bekend motief. Naam, persoon en identiteit zijn in het Oude Nabije Oosten sterk verbonden. Het vervloeken of verwijderen van een naam werd dan ook gezien als het verwijderen van een stuk identiteit of persoonlijkheid (zie bijv. Jer 11:19; Ps 109:13). We vinden het motief van naam of faam maken veel in Mesopotamische bronnen waar het met name met drie dingen in verband wordt gebracht:
1. heldendaden die werden verteld of opgeschreven
2. het plaatsen van de naam in inscripties
3. door het verwekken van kinderen
Nummer 3 heb ik al even genoemd; we kijken hier vooral naar opties 1 en 2.
Diverse annalen beschrijven het verlangen van koningen of helden (het zijn bijna altijd mannen) om naam te maken door hun (oorlogs)daden of door hun naam in te laten hakken in gebouwen (ook niets nieuws onder de zon). De connectie met naam maken wordt nog duidelijker als we weten dat het Sumerische en Akkadische woord voor ‘inscriptie’ ook te vertalen is als ‘geschreven naam’. Ook uit epische teksten kennen we het verlangen om roem of faam na te jagen. Zo zegt de held Gilgamesj aan het begin van zijn reis in het Oud-Babylonische Gilgamesj-epos: “een eeuwige naam wil ik voor mijzelf verwerven” (OB GE Yale 160, 188). Door zijn daden en/of zijn naam op een gebouw kan een mens herinnerd worden, worden zijn daden verbonden aan zijn identiteit en kan daarmee een deel van deze identiteit blijven bestaan, ook na de dood.
Kritiek op naam maken in het Oude Testament
Het Oude Testament staat misschien wel vooral bekend om de kritiek op het menselijke verlangen om door daden zelf roem en eer te vergaren. Zo plaatst de profeet Jesaja de komst van een kleine twijg of scheut in het huis van Jesse (Jes 11:1-5) tegenover de Assyrische koning en zijn heersers die zich gedragen als grote bomen en statige stammen (Jes 10:33). Zij beweren volgens de profeet: “Op eigen kracht heb ik dit gedaan, in mijn grote wijsheid – want ik ben wijs! Ik heb grenzen verlegd en volken geplunderd, door mijn macht heb ik hen in het stof doen bijten” (10:13). En Ezechiël profeteert over de val en dood van de vorst van Tyrus die over zichzelf heeft gezegd: “Ik ben een god, ik zit op een godentroon, midden in de zee” (Ez 28:2, 6-10). De profetische kritiek richt zich daarbij met name op vorsten van de volken om Israël heen die volgens de schrijvers in hun woorden concurreren met JHWH en hun eigen naam en roem boven die van JHWH laten gaan (zie ook Jes 14:20 en 36:13).
In Genesis 11 vinden we waarschijnlijk het bekendste voorbeeld van naam maken. In deze tekst maken de bouwlieden de stad en toren van Babel vanuit het motief om een naam te maken (“laten wij een naam maken”) en niet verstrooid te worden over de aarde (Gen 11:3-4). De reactie van JHWH daarop is om hun meervoudsspreken over te nemen (“laten wij afdalen”, Gen 11:7) en actie te ondernemen. Het verlangen van deze bouwers wordt zo beantwoord met de zo gevreesde verstrooiing over de aarde.
Sommige uitleggers menen dat het naam maken hier niet negatief hoeft te zijn. Dat klopt. Tegelijk wijst het contrast met de belofte aan Abram in Genesis 12:1-4 erop dat het naam maken in Genesis 11 wel degelijk kritisch bekeken moet worden. Dit wordt versterkt wanneer je Genesis 11 naast Mesopotamische teksten legt. Daarin wordt de bouw van de stad nu juist als een hoogtepunt van beschaving en cultuur gezien, terwijl het in Genesis 11 met een kritische blik wordt bekeken. Het is wel belangrijk op te merken dat men er in de interpretatiegeschiedenis vaak een schepje bovenop heeft gedaan. Zo werd de toren van Babel tot hét teken van hoogmoed.
Dit betekent echter niet dat het Oude Testament altijd negatief spreekt over naam of faam verwerven of dat bijvoorbeeld alleen God mensen faam kan verlenen. Sterker nog: er zijn genoeg voorbeelden te vinden waarin menselijke naam en faam neutraal of zelfs positief genoemd worden.
Neutrale en positieve voorbeelden van naam maken in het Oude Testament
De drie eerdergenoemde strategieën om naam te maken of te verkrijgen vinden we ook in het Oude Testament terug: kinderen, daden, naam in inscripties.
In de Thora (Genesis tot en met Deuteronomium) lijkt de voorkeursstrategie om naam te maken vooral het verwekken van kinderen te zijn. Denk bijvoorbeeld aan de genealogieën in Genesis 5 en 11, Genesis 12:3, Numeri 27:4 en Deuteronomium 25:5–9.
We vinden in de Thora echter ook voorbeelden waarin mensen roem of faam ontvangen. Ik noem vier passages waarbij geen expliciet negatief oordeel geveld wordt over deze faam. In Genesis 4 bouwt Kaïn een stad en noemt deze Chanoch/Henoch naar zijn zoon (4:16-17, de negatieve duiding die hier soms aan wordt gegeven komt door het verhaal ervoor over Kaïn). In Genesis 6 horen we over de 'helden van vroeger', de ‘mannen van naam’ (6:4). Genesis 5-10 vertelt over Noach’s zoon die Sjem/Sem heet, dat ‘naam’ betekent. En Nimrod wordt in Genesis 10 gepresenteerd als een held, een ‘geweldige jager in de ogen van de Heer’ (10:8-12). In al deze gevallen wordt de naam of eer verleend door anderen.
Dat geldt echter niet voor andere passages uit het Oude Testament. Zo horen we in 2 Samuel hoe David, en later Abisai en Benaja een naam maken voor zichzelf door daden in de strijd (2 Sam 8:13; 23:18, 22. Zie ook 1 Kron 11:20, 24 en 14:17).
Daarnaast vinden we passages waarin koningen of koningszonen een object naar zichzelf vernoemen. Ik geef drie voorbeelden. Ten eerste lezen we hoe Saul een monument voor zichzelf creëert (1 Sam 15:12). Ten tweede horen we hoe Absalom hetzelfde deed en deze gedenkplaats ook nog eens naar zichzelf noemt, ‘Absaloms monument’ (2 Sam 18:18). Zo wordt hij herinnerd door een plek, aangezien zijn kinderen zijn naam niet zullen noemen. Ten derde horen we hoe David de citadel van Jeruzalem inneemt en hernoemd tot ‘stad van David’ (2 Sam 5:7, 9, NBV21: Davidsburcht).
In al deze gevallen geldt dat de tekst of verteller deze daden nergens expliciet veroordeelt. In het geval van David lezen we zelfs in het vers erna (2 Sam 5:10) dat JHWH hem terzijde stond. Wie de daden van David, Absalom en Saul dus als negatief wil duiden, moet dit vooral doen op basis van hun gedrag in andere passages.
God verleent een naam
Ten slotte is nog te wijzen op passages waarin God zelf een naam verleent. De bekendste voorbeelden zijn denk ik Genesis 12:1-4, Exodus 28:9-12 en Jesaja 56:3-5. In Genesis 12 belooft God Abrams naam groot te maken, hierbij zowel duidend op faam voor Abram als het krijgen van nageslacht. In Exodus 28 horen we hoe God de opdracht geeft tot het maken van priesterkleding waarop stenen zitten waarin de namen van de stammen worden gegraveerd (zie ook Op 21:12-14). In Jesaja 56:3-5 horen we hoe eunuchen van JHWH een monument (‘hand, teken, inscriptie’) en een naam ontvangen wanneer zij zich aan Gods verbond houden. Aangezien een eunuch geen kinderen heeft, zal God hun namen gedenken in de dood.
We kunnen hier ook wijzen op de vele passages waarin JHWH de geringe mensen, de armen, de zwakken verhoogt en de rijken en machtigen juist bekritiseert. JHWH geeft zo (impliciet) een naam aan hen die geen naam hebben. We kunnen denken aan Sefanja 3:19-20, Psalmen 72, 113, 140 en het lied van Hanna in 2 Samuel 2 (zie ook het Magnificat in Lukas en Lukas 2 en 3:1-6 waar Lukas de grote namen introduceert als context om zich dan te richten op gewone mensen).
Conclusies: Trump, naam en de Bijbel
De acties van Trump roepen bij velen kritiek op. Die kritiek is niet dat er objecten of instituten worden vernoemd naar een president, maar wel dat dit (1) tijdens het leven en met name de regeerperiode van deze president gebeurt, (2) door hem zelf wordt gefaciliteerd of verzocht en (3) in zo’n grote mate gebeurt. Wie Trumps acties om een naam te maken naast de Bijbelse teksten legt, kan denk ik drie conclusies trekken.
Ten eerste sluit Trumps verlangen aan bij het menselijk verlangen om een naam te maken en je naam achter te laten in de geschiedenisboeken. Trump lijkt hiervoor alle mogelijke strategieën te gebruiken.
In de tweede plaats zouden we Trumps verlangen kunnen plaatsen in lijn met de acties van Saul, Absalom en David die ook objecten of steden naar zichzelf vernoemen. We merken daarbij wel op dat het (laten vernoemen) van zoveel objecten naar jezelf extreem is en niet voorkomt in de Bijbel.
Ten derde kunnen we vanuit de grotere lijnen van de Bijbel zeggen dat leiders tegenover God de verantwoordelijkheid hebben om goed, rechtvaardig en met oog voor de kwetsbaren te besturen. Eigen roem of faam verwerven wordt kritisch bekeken wanneer dit ten koste gaat van kwetsbaren of wanneer de eigen naam naast of boven die van God wordt gesteld (een ’Koning Salomo tempel’ of een ’Hizkia voorhof’ voelt ondenkbaar). Het is in die zin veel beter om een naam of eer te ontvangen van God of anderen dan zelf een naam voor jezelf te maken door grootste daden of inscripties. Naast ’het is beter te geven dan te ontvangen’ (Hand 20:35) geldt in de Bijbel dus ook: ‘het is beter eer te ontvangen dan te claimen’.