Vluchtelingen in de Bijbel: Van Adam tot Babylon en weer terug

27 oktober 2016

Vluchtelingen – het nieuws staat er bol van. De Engelse krant The Guardian heeft er recent een bijzonder item aan gewijd: een Top Tien van vluchtelingenverhalen in de wereldliteratuur. Met op de tweede plek: Jozef en Maria, die, gewaarschuwd door een engel, naar Egypte vluchten om hun pasgeboren zoon van de heerszuchtige Herodes te redden. Wie verder leest, merkt dat de Bijbel op zichzelf al voldoende stof oplevert voor een Top Tien van vluchtelingenverhalen. Een fundamenteel gevoel van ontheemd zijn loopt als een rode draad door de bladzijden van dit oude en toch zo actuele boek.

Dr. Anne-Mareike Schol-Wetter
Hoofd Bijbelgebruik NBG

Te mooi om waar te zijn

Het begint al bij Adam en Eva, of, zoals de tekst zegt, ‘de man en zijn vrouw.’ Hun verhaal is eigenlijk te mooi om waar te zijn. Ze wonen in een tuin die God zelf heeft aangelegd, met aanlokkelijke bomen, heerlijke vruchten en een rivier om alles te bevloeien (Gen 2:9-10). Voor de eerste lezers staat dit haaks op hun dagelijkse ervaring: de strijd om voldoende water en de eeuwige onzekerheid of hun velden morgen, volgende maand, volgend jaar weer voldoende zullen opleveren.

Om de verbazing compleet de maken, zijn de man en zijn vrouw naakt – en ze schamen zich niet. In de Oud-oosterse cultuur, waarin overwonnen vijanden werden uitgekleed om hun schande zichtbaar te maken, valt dit extra op. Naakt zijn en je niet schamen? Onmogelijk!

Verbannen uit de tuin

Maar dan gaat het mis. Een slang, een verboden vrucht en wat gestamelde excuses verder zien we de man en zijn vrouw buiten de tuin terug. Aangekleed. Zwoegend voor hun dagelijkse bestaan. Verdreven uit de tuin die ze hadden mogen bewonen. Vervreemd van de God die hen daar had geplaatst. Langzaam maar zeker beginnen hun ervaringen te lijken op die van de meeste mensen in de tijd van de schrijver. Ze zijn niet langer ‘de mens en zijn vrouw’, maar Adam en Eva, een hardwerkend echtpaar met de nodige opvoedproblemen. Heel gewoon.

Verbannen uit het land

Het verhaal van Eden spreekt tot de verbeelding. Ontheemd zijn als algemeen menselijk lot… Je kunt er boeken over volschrijven. Maar voor de Israëlieten zijn ballingschap, vluchten en ontheemd zijn meer dan literaire thema’s: het zijn concrete ervaringen, die door de tijd heen steeds weer nieuwe groepen en nieuwe generaties treffen.

De meeste teksten van het Oude Testament krijgen tussen 600 en 400 voor Christus hun definitieve vorm. Op dat moment woont nog maar een klein deel van het volk in het land dat God ooit aan hen beloofd had. De bewoners van het noordelijke koninkrijk Israël zijn al in de 8e eeuw voor Christus door de Assyriërs verdreven. De meesten van hen verdwijnen voorgoed tussen de andere volken. Anderen lukt het om naar het zuiden te vluchten, naar Jeruzalem. Maar ook daar is het niet voor altijd veilig. Aan het begin van de 6e eeuw maken de Babyloniërs Jeruzalem, de tempel, en grote delen van het land met de grond gelijk.

Wie de belegering en de val van de stad overleeft, moet in de maanden daarna het hoofd bieden aan honger en ziekte. Een paar gelukkigen kunnen naar Egypte of omliggende landen vluchten. Duizenden worden weggeleid naar Babylonië, om daar het land van de Babylonische koning te bewerken.

Aan de rivieren van Babel

Het is een bijzondere groep die in Babylonië bij elkaar zit. Niet omdat zij weggerukt zijn uit hun thuisland – dat overkwam en overkomt wel meer volken. Maar omdat het hen lukt om iets van hun eigenheid vast te houden. Priesters zoals Ezechiël horen hierbij, en profeten die in de voetstappen van Jesaja straf en vergeving verkondigen. ‘Hoe heeft het zo ver kunnen komen?’, vragen ze zich af. ‘Hoe moeten we ons gedragen, hier, in dat vreemde land?’ En vooral: ‘Komen we ooit nog thuis?’ Vragen, zo oud als Adam en Eva en zo actueel als bootvluchtelingen en AZC’s.

Ontheemd zijn als belijdenis

Een halve eeuw later keert een aantal van hun nakomelingen inderdaad terug om Jeruzalem te herbouwen. Ze willen weer in het land wonen dat God aan hun voorouders had beloofd, terug naar een plek die ze ‘thuis’ kunnen noemen. Maar ballingschap zit hen in het bloed. En het zit in de verhalen die ze aan hun kinderen vertellen.

Geen wonder dat ook Israëls grote helden – Abraham, Jakob, Mozes, David – de ervaring delen van ontheemd zijn. De een trekt eropuit omdat God hem heeft geroepen, de ander moet vluchten vanwege familieruzies, een misdaad, een autoritair regime, of de machtsstrijd om een koninkrijk. Het zijn deze mannen (en hun vrouwen) waarmee Israël zich identificeert: geen onverstoorbare halfgoden, maar echte mensen, die net als ieder ander ervaren dat je niets in het leven voor altijd kunt vasthouden.

De ervaring van nergens kunnen wortelen zit zo diep dat Israël haar als geloofsbelijdenis aan zichzelf oplegt: ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër’ – die woorden moet iedere Israëliet bij het altaar uitspreken, op het moment dat de oogst is binnengehaald (Deuteronomium 26:5). Genieten van alles dat het land te bieden heeft, gaat niet zonder het besef dat je misschien morgen al alles weer moet achterlaten.

Eeuwig heimwee

Terug naar Adam en Eva, de mens en zijn vrouw. Hun ervaringen komen overeen met wat het volk Israël steeds weer zou overkomen: losgerukt worden uit het land waarvan je dacht dat je er veilig mocht wonen. In die zin zijn de eerste mensen inderdaad een heel gewoon echtpaar, met heel gewone problemen.

Maar - en daar gaat het de schrijver om - hun ervaringen buiten de tuin zijn het tegenovergestelde van ‘gewoon’! Honger, schaamte, geweld en dood hebben volgens Genesis 2 en 3 geen plek in de tuin waarin de mensen eigenlijk thuishoren. Ze horen bij de ballingschap die begon toen het eerste mensenpaar uit de tuin werd verdreven, en die duurt tot op vandaag. Soms heel concreet – voor de Israëlieten in Babylonië, of voor Syrische vluchtelingen in Nederland. En soms wat meer ongrijpbaar, als we weer eens beseffen hoe groot en onherbergzaam de wereld is, en hoe klein en kwetsbaar de mens.

Het verhaal van Adam en Eva kan helpen om het geloof in een goede God te rijmen met het dagelijkse, soms harde bestaan. Maar het zadelt de lezer ook op met een eeuwig gevoel van heimwee. Een heimwee dat ons verbindt met de vluchtelingen van nu. Want wie Genesis 3 en 4 gelezen heeft, voelt aan dat ontheemd zijn niet is beperkt tot  inwoners van AZC’s. Het is de basis van mens-zijn buiten de tuin.

Dr. Anne-Mareike Schol-Wetter geeft leiding aan de afdeling Bijbelgebruik van het Nederlands Bijbelgenootschap. Ze is oudtestamentica. Sinds 2015 werkt zij bij het NBG. Als hoofd Bijbelgebruik is zij onder andere betrokken bij debijbel.nl, het kinderblad Alef en de ontwikkeling van nieuwe uitgaven. In 2014 is zij gepromoveerd op een proefschrift waarin de identiteit van Israël na de ballingschap centraal staat.

Lees deze passageVerder lezen?

Cookies

We vinden het belangrijk om je daar goed over te informeren. Cookies helpen ons je ervaring op onze website te verbeteren. Functionele cookies dragen bij aan een soepel draaiende website. Analytische cookies bieden ons inzicht in hoe gebruikers de website gebruiken. Met marketing-cookies kunnen we je op basis van je websitebezoek gepersonaliseerde inhoud bieden.