Home/actueel/PThU nieuws/Wie wordt Hollands Next Rolmodel? Over de morele voorbeeldfunctie
9 oktober 2017

Wie wordt Hollands Next Rolmodel? Over de morele voorbeeldfunctie

Een verslag van de lezing van Paul van Tongeren en het interview met Jan Terlouw

Door Maartje Janssens

Zie hier voor een foto-reportage van fotograaf Ted van Aanholt van het hele seminar 


Op dinsdag 19 september 2017 vond het seminar ‘Hollands Next Rolmodel’ plaats aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) in Amsterdam. Het was het vierde seminar vanuit het netwerk ‘Werken met deugden’, een initiatief van Radboud Universiteit en Fontys Hogescholen, om de Aristotelische deugdethiek en de (beroeps)praktijk elkaar te laten ontmoeten, verrijken en verdiepen. Dit keer ging het over morele voorbeelden. Hoe werkt de morele voorbeeldfunctie? Hoe verhoudt ‘modelling’ zich tot zelfstandigheid, of: hoe verhouden voorbeelden zich tot deugdzame handelingen?

Op het seminar kwamen zo’n vijftig deelnemers af, grotendeels werkzaam in allerlei professionele en maatschappelijke domeinen en geïnteresseerd in de deugdethiek. Na een plenair gedeelte volgde een programma met workshops om handvatten te krijgen hoe met de voorbeeldfunctie in de eigen praktijk aan de slag te gaan.

Dr. Pieter Vos (PThU) leidde de middag in met drie opmerkingen over de morele voorbeeldfunctie. Allereerst stelde hij dat morele voorbeelden pas fungeren als er identificatie kan plaatsvinden. Staan Mahatma Gandhi, Martin Luther King en Nelson Mandela niet te ver van ons af om voor ons als voorbeeld te kunnen werken? Ten tweede stelde Vos dat voorbeelden uniek zijn, onvervangbaar, niet te reduceren tot iets anders. Ze belichamen dat waarvan ze een voorbeeld zijn, en het unieke zit nu precies in de belichaming. En ten derde zijn voorbeelden maar betekenisvol voor zover ze tegelijk de aandacht vestigen op jezelf: ze zijn een voorbeeld voor jou. Het gaat er niet om hetzelfde te worden als het voorbeeld, maar om op je eigen manier te worden wat een voorbeeldfiguur belichaamt.  

Lezing Paul van Tongeren

Houding, midden en voorbeeld

Prof. dr. Paul van Tongeren vervolgde met een lezing over ‘de ambigue rol van het voorbeeld in de morele vorming’. Daartoe begon hij met een korte schets van de Aristotelische deugdethiek. De deugdethiek begint met de vraag naar het doel: waar is het uiteindelijk om te doen? Volgens Aristoteles gaat het om ‘geluk’, opgevat als optimale zelfverwerkelijking. Het zelf bestaat uit voelen of verlangen, en denken. Optimale zelfverwerkelijking bestaat dan ook uit twee soorten deugden: karakterdeugden en intellectuele deugden.

Een deugd, vervolgens, is geen handeling, maar een houding, die ontstaat uit een manier van handelen, en maakt dat je in de toekomst passend bij die houding gaat handelen. Dat wat een houding tot deugd maakt, is dat het gaat om een houding die het midden weet te treffen tussen twee extremen ten aanzien van emoties of handelingen. Als het bijvoorbeeld gaat over zelfvertrouwen of vrees, dan is moed het juiste midden tussen roekeloosheid (je hebt dan teveel zelfvertrouwen / kent te weinig vrees) en lafheid (je hebt te weinig zelfvertrouwen / kent teveel vrees).

Tot zover heeft de deugdethiek nog een redelijk ‘common sense’ karakter, aldus Van Tongeren. Totdat je bij de vraag komt: waar is het midden? Aristoteles zal zeggen: dat hangt er maar vanaf. Het midden in welke situatie? En het hangt af van je mogelijkheden. Hoewel Aristoteles een systeembouwer is, blijft hij heel dicht bij de werkelijkheid.

Kijken en doen

Toch kunnen we wel wat met de vraag naar het midden: we weten waar het midden ligt, omdat we het in het voorbeeld al herkennen. Van Tongeren vergelijkt het met leren zwemmen: je weet al wat je wil leren; probeer het dan zelf ook te doen. Maar we leren niet alleen door te doen, ook door te kijken. Van Tongeren vertelt hoe hij ondanks dat hij vroeger niet de handigste was in het gezin, later toen hij zelf een huis kocht bleek te kunnen klussen. Niet door aanleg, niet door oefening, maar door veel te kijken naar zijn vader die dat goed kon, waardoor hij wist hoe dat moest. De manier waarop het voorbeeld werkt is kijken, en dan zelf gaan doen. Maar: op je eigen plek en op je eigen manier. Het voorbeeld moet niet geïmiteerd, maar geïnterpreteerd worden.

De deugdethiek is een optimistische theorie. Volgens Aristoteles gaan zowel goed leren denken als goed leren verlangen in zekere zin vanzelf, want het verlangen wil uit zichzelf niet anders dan het bereiken van het goede, en het denken wil inzicht krijgen. Kijk maar naar kinderen: zij gaan zelf op zoek. Het gaat vanzelf de goede kant op, je moet alleen voorkomen dat het mis groeit. Voor de opvoeding betekent dit dat je, net als een tuinman, vooral goede condities moet creëren waarbinnen mensen zich optimaal kunnen ontplooien.  

Overeenstemming en ongelijkheid

Maar er is een laatste voetnoot bij Aristoteles’ optimistische deugdethiek. Deugdzaam leven is niet genoeg voor een gelukkig leven; je moet ook mazzel hebben, zoals een goede gezondheid en vriendschappen. Van Tongeren werkt deze voetnoot in de richting van voorbeelden uit.

Ten eerste zijn er ook slechte voorbeelden. Van Tongeren maakt een uitstapje naar een oefening die hij op VO-scholen deed. De deelnemers moesten een moeilijke situatie inbrengen en kregen vervolgens de opdracht om vorm te geven aan hun irritatie met hun voorbeeldfiguur voor ogen. Dit had een sterk convergerende werking. Maar één deelnemer merkte op dat ze allemaal ongeveer dezelfde voorbeeldfiguren hadden. Wat als je heel andere rolmodellen hebt? Ze hebben daarmee geoefend en het effect bleek precies hetzelfde. Het waren afwijkende rolmodellen, maar datgene wat er verschillend was, speelde nauwelijks een rol in wat de mensen deden met hun voorbeeld. Of het voorbeeld nou Mandela of een rapper was, wat ze bewonderden was moed. Achter de verschillen leefde een veel grotere overeenstemming. Dit voorbeeld leert ons dat we niet te gauw moeten denken dat we allemaal verschillend denken, maar eerder kijken hoe voorbeelden verschillend worden geïnterpreteerd.

Een tweede opmerking is dat het spreken over voorbeelden iets impliceert dat niet goed past in onze egalitaire samenleving: het erkennen van ongelijkheid. Denken in termen van beter en slechter is taboe. Maar als we recht willen doen aan het voorbeeld in morele vorming, dan moeten we erkennen dat er morele ongelijkheid bestaat.

Interview Jan Terlouw

De hunkering naar vertrouwen en een gesprek over moraliteit

Na de lezing van Van Tongeren betrad schrijver en oud-politicus Jan Terlouw het podium, waar hij geïnterviewd werd door Wouter Sanderse, lector bij Fontys Hogescholen. Sanderse opende met een verwijzing naar Terlouws pleidooi voor ‘het touwtje uit de brievenbus’ in het tv-programma De wereld draait door (DWDD), en naar het gegeven dat veel ouders hun kind Stach hebben genoemd, naar de hoofdpersoon uit Terlouws boek Koning van Katoren. Hoe ervaart Terlouw het dat hij zelf een voorbeeld is?

Terlouw vertelt dat hij wordt gezien als moreel geweten van de natie, en vindt dat een eigenaardige belasting. Hij vertelt hoe hij door DWDD werd benaderd met de woorden: ‘u mag het volk 7 minuten toespreken’. Hij sprak daar over de verwoesting van de aarde, en dat we dit niet oplossen als we elkaar niet weer leren vertrouwen. Vertrouwen is volgens hem de basis van de samenleving, en dit raakte bij het publiek een snaar. Dit had hij niet verwacht; hij wilde het juist over klimaatverandering hebben. Blijkbaar hunkeren mensen naar vertrouwen en een gesprek over moraliteit, aldus Terlouw.

Expliciete en impliciete normativiteit

Volgens Terlouw bestond de essentie van zijn politiek bestaan uit het vellen van oordelen over goed en slecht. Dat stond niet op gespannen voet met het liberale ideaal van autonomie en eigen oordeelsvorming van burgers. Een volksvertegenwoordiger wordt gekozen, en neemt maatregelen om een land te regeren, waarbij de cruciale vraag is wat rechtvaardig is. Het antwoord op die vraag kan verschillend zijn, en daar heb je dan een dialoog over. Politici moeten volgens Terlouw zeer regelmatig terug naar die basisdiscussie, en laten zien dat ze regeren vanuit die vraag naar rechtvaardigheid. Dan zal de politiek veel meer worden vertrouwd dan nu het geval is. Waar Terlouw als politicus normativiteit expliciet op de agenda wil, ligt dit anders voor zijn rol als schrijver. ‘Hopelijk zeg ik in mijn boeken niet hoe het moet.’ Hij bespreekt daar morele thema’s, denkt erover na. ‘Een roman is geen leerboek. Een roman stelt de vraag, herhaalt de vraag honderd keer, maar geeft niet het antwoord.’

Verhalen en de leraar als inspirator

Volgens Terlouw zit er veel waars in de morele voorbeeldfunctie. Opvoeden is volgens hem het voorleven van je waarden. Verhalen spelen hierin een belangrijke rol. ‘Als je een kind begeleidt naar volwassenheid dan is er geen beter middel dan het verhaal.’ Hij vertelt hoe hij zijn kinderen tien jaar lang iedere avond een nieuw verhaal vertelde. ‘Wat heeft straf voor zin? Als je een kind een verhaal vertelt waar zijn ‘fout’ een rol speelt, dan kom je tot een geweldig gesprek.’

Terlouw vertelt ook over zijn eigen rolmodellen, met name uit de wetenschap in de periode dat hij nog vooral natuurkundige was. Hij heeft zelf veel heeft gehad aan leraren in zijn leven. Zijn wiskundeleraar introduceerde hem het vak door te laten zien hoe mooi hij het vak zelf vond. En zijn vader voedde hem op met allerlei regeltjes en wijsheden in het Latijn, omdat hij zelf een leraar had die hem de liefde voor de taal bijbracht. Een leraar moet volgens Terlouw een inspirator zijn: hij moet van zijn vak niet alleen laten zien hoe het zit, maar ook hoe mooi het is. 

Wisselwerking tussen regelgeving en geweten

Van Tongeren sluit af met een reactie op Terlouws idee dat mensen hunkeren naar vertrouwen, en verbindt dit met de vraag naar goede en slechte voorbeelden. Hij schetst twee tegengestelde opvattingen van de menselijke natuur en een daarmee overeenkomstige werking van de voorbeeldfunctie. Volgens de eerste is er in de mens zowel een verlangen naar het goede als naar het kwade, en zijn er voorbeelden die aantrekken in allebei de richtingen. Zo bezien is de werking van de voorbeeldfunctie een kwestie van bekering. Een andere opvatting is dat de mens verlangt naar het goede, maar dat sommigen het goede nog niet zien als het goede. Dan is het een kwestie van informeren of vorming.

Het leven, zegt Terlouw, heeft hem - helaas - niet tot de opvatting gebracht dat de mens verlangt naar het goede. Hij is darwinistisch ingesteld: ieder organisme wil leven, en dat doet het door nu te eten en nu voort te planten. Over de verre toekomst denkt geen plant, dier of mens na, omdat we zo bezig zijn met het hier en nu. De mens staat nog zo dicht bij de amorele natuur. Daarom hebben wij wet- en regelgeving nodig. Dan groeit ons geweten mee en komt er een wisselwerking. Terlouw geeft het voorbeeld van de wet op dierenbescherming: nu vinden we dat we dieren netjes moeten behandelen. We moeten doorgaan met die wisselwerking tussen regelgeving en geweten. Verstand en emoties kunnen dan dichter bij elkaar komen en een betere samenleving tot stand brengen.  

Workshops

  • Het sprekende voorbeeld: een fenomenologische verkenning (interactieve schrijfworkshop)

Geert Bors en Maartje Janssens, Nederlands Instituut voor Onderwijs- en Opvoedingszaken (NIVOZ)

Herinner jij je een voorval met een favoriete leermeester, dat vormend geweest is voor jouw visie op leven en werk? Wat was een moment dat jij ervoer een voorbeeld te zijn? Kun je nog wakker worden van een moment dat je juist tekortschoot? Aan de hand van de fenomenologie, een filosofische methode die zoekt naar de betekenis van verschijnselen zoals die zich aan ons voordoen in de directe ervaring, gaan we op zoek naar sprekende situaties waarin de morele voorbeeldfunctie zich toont. Na een korte introductie tot een ‘fenomenologie van de praktijk’ in werkvelden als het onderwijs en de zorg, gaan we een ‘lived experience description’ maken en bespreken. Kom in verwondering.

  • Rolmodellen in romans (interactieve workshop)

Wouter Sanderse, Fontys Hogescholen

Morele voorbeelden treffen we niet alleen aan in onze leefomgeving, maar ook in romans. Sommigen personages volgen overwegend het goede pad, anderen willen graag een eervol leven leiden, maar maken toch steeds slechte keuzes. Er zijn sympathieke schurken en doorgewinterde slechteriken. Na een korte inleiding, bespreken we in deze workshop eerst elkaars favoriete (jeugd)boeken en zoomen we in op de (on)deugden van de hoofdpersoon. Vervolgens verhelderen we onze eigen deugden via de methode van het ‘deugdenmuurtje’, en kijken we, tenslotte, wat we van de rolmodellen in romans kunnen leren.

  • Kierkegaard en het navolgen van voorbeelden (close reading)

Pieter Vos, Protestantse Theologische Universiteit

In de loop van de tijd hebben allerlei figuren als moreel voorbeeld gefungeerd, zoals helden en heiligen. In de christelijke traditie treffen we ook het motief van de ‘navolging van Christus’ (imitatio Christi) aan. Dit motief is door de Deense filosoof Søren Kierkegaard opgepakt in zijn boek Oefening in christendom (pseudoniem: Anti-Climacus). Hij zet navolging kritisch in tegen het gevestigde christendom van zijn tijd en onderscheidt het nadrukkelijk van bewondering. In deze workshop lezen we passages uit dit boek, met als doel meer inzicht te krijgen in wat het betekent een voorbeeldig persoon na te volgen. Kierkegaard heeft daarop een rijk ontwikkelde visie die niet alleen betekenisvol is in een specifiek christelijk kader.

  • Voorbeeldigheid en afgunst (interactieve workshop)

Rob Compaijen, postdoc onderzoeker PThU Amsterdam

Voor onze morele vorming zijn voorbeeldige mensen belangrijk. Doorgaans bewonderen we hen om wie ze zijn en (hoe ze doen) wat ze doen. Maar zoals we maar al te goed weten, kunnen we ook door jaloezie of afgunst bevangen worden. De confrontatie met iemand die excelleert, wordt dan juist een pijnlijke ervaring waarin we bepaald worden bij onze onvolkomenheden. In deze workshop gaan we met elkaar in gesprek over jaloezie of afgunst ten aanzien van voorbeeldige mensen. We denken samen na over wat afgunst precies is, in welke situaties ze veelal ontstaat, of ze morele vorming in de weg staat en, zo ja, hoe we haar kunnen vermijden.

  • Voor-waardelijk voorbeeldig: een narratieve waardenoriëntatie

Edwin van der Zande, promovendus Lectoraat Normatieve Professionalisering, Hogeschool Utrecht

Hoe ben je een voorbeeld voor de ander? Wat spreekt je aan in het voorbeeld van een collega? Waarom strookt volgens jou iemands waarde niet met het getoonde gedrag? Om in deze grote vragen meer inzicht te krijgen zoomen we in op ons levensbeschouwelijk verhaal. In dit narratief zijn verschillende waarden bepalend voor de werking van de voorbeeldfunctie. Zo gaan waarden veelal onbewust vooraf aan het gedrag dat we vertonen. In deze workshop onderzoeken we door introspectie en dialoog welke persoonlijke en professionele waarden voor ons belangrijk zijn. We brengen deze waarden met elkaar in verband en we oriënteren onszelf op hun betekenis voor de persoonlijke en professionele voorbeeldfunctie.

  • Zelf de verandering zijn – de morele voorbeeldfunctie van een leider

Wilma van Esch, zelfstandig begeleider

Visies en missies worden beschreven in prachtige woorden, op geduldig papier of mooie websites. Lukt het jou die visie te doorleven, voor te leven? Moreel leiderschap veronderstelt congruentie: Niet alleen met mooie woorden spreken, maar vooral de bijbehorende daden en gedrag laten zien. Het 'goede' doen, voor en met je team. Dat is lang niet altijd vanzelfsprekend. In deze workshop gaan we dieper in op de morele dilemma's vanuit leiderschap die je in jouw praktijk tegenkomt en reflecteren hierop vanuit meerdere perspectieven. Met een spiegel, gezonde humor en een stevig moreel kompas.