Home/Bijbelblog/De slaaf en de rotte vis: Een veranderende parabel
Dr. G.M.G. Teugels
UD Semitica en Judaica
Meer blogs!

Voor een ander blog over parabels, zie hier.
Voor een ander blog over de parabel van de Rotte vis, zie hier.

Dit is een ingekorte versie van de presentatie die dr. Lieve Teugels hield op de studiemiddag ‘Continuïteit en Vernieuwing’ (22 februari 2018, PThU Amsterdam). Aanleiding was het hoofdstuk van Teugels in de vriendenbundel die bij deze gelegenheid aan prof. Dineke Houtman werd aangeboden. Zie hier

27 februari 2018

De slaaf en de rotte vis: Een veranderende parabel

Parabels zijn te vinden in het Nieuwe Testament en andere vroegchristelijke teksten, maar ook in de rabbijnse literatuur. Het is een genre waarin je verschillen en overeenkomsten tussen het vroege Jodendom en het vroege Christendom ziet.

Ik presenteer hier een oude Joodse parabel over een slaaf die een rotte vis koopt. Dit voorbeeld laat zien dat parabels na verloop van tijd konden veranderen. In zijn oudste vorm vinden we de parabel in twee Midrasjiem, geschriften uit de derde eeuw waarin het bijbelboek Exodus uitgelegd wordt. Het gaat om Mechilta de Rabbi Isjmael en Mechilta de Rabbi Shimon bar Yochai.

De parabel

Dit is de parabel, samen met zijn context, zoals hij voorkomt in Mechilta de Rabbi Isjmael:

Toen aan de koning van Egypte verteld werd dat het volk gevlucht was, keerde het ​hart​ van de ​farao​ en zijn dienaren zich tegen het volk, en zij zeiden: Hoe hebben we dit kunnen doen, dat wij Israël uit onze dienst hebben laten gaan? (Exodus 14:5)

Eerder stond er: De dienaren van de farao zeiden tegen hem: Hoelang zal deze voor ons tot een valstrik zijn? Laat de mensen gaan. (Exodus 10:7) En nu: Het hart van de farao​ en zijn dienaren keerde zich om, en zij zeiden: Hoe hebben we dit kunnen doen, dat wij Israël uit onze dienst hebben laten gaan?

Ze zeiden: ‘Als we geslagen zouden zijn maar we hadden ze niet laten gaan, het zou juist zijn geweest. Nu zijn we geslagen en we hebben ze laten gaan! Of, als we geslagen zouden zijn en we hadden ze laten gaan, maar ons bezit was niet afgenomen, het zou juist zijn geweest. Maar nu zijn we geslagen, we hebben ze laten gaan en ons bezit is ons afgenomen.’
Een gelijkenis. Waarmee is dit te vergelijken?
Met iemand die tegen zijn slaaf zei: ‘Ga, breng me een vis van de markt!’ En deze ging en bracht hem een bedorven vis. Hij zei tegen hem: ‘Ik beveel je de vis op te eten, of je krijgt 100 slagen, of je betaalt 100 mina.’ De slaaf zei: ‘Zie, ik eet hem wel op.’ Hij begon te eten maar kon het niet volbrengen. Totdat hij zei: ‘Zie, ik wil slaag krijgen.’ Hij kreeg 60 of 70 slagen maar kon het niet volbrengen. Totdat hij zei: ‘Zie, ik betaal wel 100 mina.’ Het resultaat was dat hij van de vis at, slagen kreeg, en 100 mina betaalde.
Zo ook verging het de Egyptenaren: Ze werden geslagen, ze lieten hen gaan, en hun bezit werd hun afgenomen.

Verheldering

Deze parabel maakt deel uit van een midrasj – een interpretatie in rabbijnse stijl – op Exodus 14:5. De parabel helpt om het bijbelvers beter te begrijpen. Nu zult u denken: Is dat vers dan niet duidelijk? Nee, eigenlijk niet. De rabbijnen merken op dat dit vers een eerder vers, namelijk Exodus 10:7, schijnt tegen te spreken. Ze vragen zicht terecht af hoe het kan dat Farao en zijn dienaren van mening zijn veranderd, letterlijk ‘dat hun hart gekeerd is’. Waarom hebben ze spijt dat ze de Israëlieten, van wie ze eerst af wilden, hebben laten gaan?

De midrasj noemt hier drie tegenslagen die de Egyptenaren hebben ondergaan vanwege de Israëlieten: de plagen, het afnemen van hun bezit en – interessant genoeg – het vertrek van de Israëlieten zelf. Strikt genomen is alleen het eerste, de plagen, een echte straf geweest, hun opgelegd vanwege het feit dat ze de Israëlieten niet wilden laten gaan. De twee andere tegenslagen hebben te maken met het feit dat de Israëlieten wel zijn gegaan.

Deze midrasj geeft dus de onmogelijke keuze van de Egyptenaren aan: met de Israëlieten is het gedoe; maar zonder ook, want nu ze weg zijn, zijn ze ook nog hun bezit en hun slaven kwijt. Waar hebben de Egyptenaren dit eigenlijk aan te danken? Het enige antwoord kan zijn: aan het feit dat ze de Israëlieten ooit tot slaven hebben gemaakt.

De parabel vertelt dit verhaal van de drie ongelukken nog een keer op een beeldende manier. Ook hier is sprake van een ongewenst iets, een rotte vis, die door een slaaf in huis is gehaald. Het is niet duidelijk of dit dommigheid of kwade wil is, maar nu zit de slaaf ermee. Vanwege het kopen van deze rotte vis krijgt hij te maken met drie onverdraaglijke straffen. In elk geval de twee eerste zijn onverdraaglijk: hij moet de vis eten – lukt niet  – en hij krijgt slaag – lukt niet – en ten slotte moet hij geld betalen, wat wel lukt, maar waarmee hij dus driedubbel gestraft is.

Recycling

In de rabbijnse literatuur is het heel gebruikelijk dat parabels gerecycled worden: men vindt ze in één of meer gewijzigde vormen terug in latere teksten, in nieuwe contexten. De parabel van de slaaf en de rotte vis duikt voor het eerst op in de derde eeuw, maar wordt ook gebruikt in twee latere Midrasj-verzamelingen: Pesikta de Rav Kahana (PRK) en Midrasj Tanchoema Buber. Deze Midrasjiem zijn een paar eeuwen jonger en de parabel is hier aangepast. Dat heeft ermee te maken dat we hier stuiten op een ander soort Midrasjiem.

Het gaat bij de jongere Midrasjiem niet meer om uitleg van elk afzonderlijk vers, maar om uitleg van een veel langer gedeelte, namelijk de hele parasja zoals die in de synagoge gelezen werd. De aandacht gaat daarbij vooral uit naar het eerste vers. Dat heeft natuurlijk consequenties. Veel verzen uit zo’n langer gedeelte worden niet geciteerd en becommentarieerd. Dat geldt ook voor Exodus 14:5. De parasja waar dit vers toe behoort, Besjallach, begint al met Exodus 13:17 waarvan de eerste woorden luiden: “Toen Farao het volk had laten gaan”.

In de twee jongere Midrasjiem komt de parabel van de slaaf en de rotte vis aan de orde in de bespreking van dit eerste vers van de parasja. Het gaat daar niet om Farao’s spijt. Het ‘verplaatsen’ van deze parabel naar deze nieuwe, homiletische, context werkt daarom niet helemaal goed. In de jongere Midrasjiem wordt het verkrijgen van het Egyptische goud en de vrijlating van de slaven gepresenteerd als een beloning voor de Israëlieten, en niet zozeer als een straf voor de Egyptenaren. In de oudere Mechiltot was de boodschap daarentegen dat de Israëlieten iets heel kostbaars waren dat de Egyptenaren zo maar in hun midden hadden, en waarvan ze de waarde niet hadden ingeschat, als een schat in de akker. Die boodschap is in de latere, homiletische, Midrasjiem dus verloren gegaan.

Continuïteit en vernieuwing

Om een lang verhaal kort te maken. Het feit dat parabels migreren van de ene naar de andere context, in dit geval van de ene naar de andere Midrasj-verzameling, geeft de continuïteit van de traditie weer. Zulke continuïteit gaat altijd gepaard met vernieuwing. Bij de parabel van de rotte vis is bij de vernieuwing een deel van de oorspronkelijke boodschap verloren gegaan. Anderzijds verschaft de nieuwe context weer een podium voor nieuwe boodschappen.

Vernieuwing houdt dus mogelijkheden maar ook gevaren in. Het is altijd belangrijk om bij vernieuwing de continuïteit niet uit het oog te verliezen. Dit laatste is uiteraard ook zo in de bezinning op de Joodse bakermat van het Christendom. In het verleden is de vernieuwing die Jezus bracht vaak zozeer benadrukt, dat de continuïteit met het Jodendom uit het oog werd verloren, of sterker nog, werd verdoezeld. Dat gebeurde ook bij het onderzoek naar parabels. Dit gevaar krijgt aan de PThU echter geen kans, door het feit dat wij een aparte leerstoel hebben die zich helemaal richt op de Joodse verankering van het Christendom, toen en nu.