Schreef Paulus de brief aan de Kolossenzen?
In een eerdere bijbelblog van 27 november 2025 zijn de zogeheten ‘pastorale brieven’ aan bod gekomen: de twee brieven aan Timoteüs en de brief aan Titus blijken niet van Paulus zelf te zijn, maar van een latere volgeling, die namens Paulus aanwijzingen wilde geven voor zijn eigen tijd. In deze bijbelblog gaat het over een andere brief die op naam van Paulus staat, namelijk Kolossenzen.
Over Kolossenzen zijn er bijna net zo veel opvattingen als er onderzoekers zijn. Het gaat dan vooral over de vraag of Paulus wel de auteur ervan is, en wie het dan wél kan zijn als hij het niet is, en of er in dat geval nog wel een band met Paulus bestaat. Er is ook veel te doen over de datering ervan, en over de vraag welke aanleiding de auteur eigenlijk voor het schrijven had. Ik zal proberen enigszins te laten zien waar al deze onenigheid aan ligt.
Brief aan de Efeziërs
Er is met deze brief sowieso iets vreemds aan de hand, want een andere brief, die aan de Efeziërs lijkt er sterk op. Van die laatste zeggen de meeste onderzoekers nu dat hij is samengesteld met materiaal uit Kolossenzen en dus weinig origineel is. De vraag kan zich dus op Kolossenzen concentreren.
Interessant is wel dat Erasmus in de zestiende eeuw al vaststelde dat juist Efeziërs behoorlijk verschilt van bijvoorbeeld Romeinen, Korintiërs en Galaten. Hij noemde de taal gekunsteld en de stijl zo anders ‘dat de brief wel van iemands zou kunnen lijken’. Erasmus had hetzelfde van Kolossenzen kunnen zeggen, maar bij mijn weten heeft hij dat nergens gedaan.
Pas met de moderne bijbelwetenschap in de negentiende eeuw kregen onderzoekers de middelen in handen om veel nauwkeuriger en systematischer naar taal, stijl en inhoud van de teksten van het Nieuwe Testament te kijken. Dat had ook te maken met een onderzoeksprogramma (bijvoorbeeld de Tübinger Schule) dat de bewogen geschiedenis van het vroege christendom wilde reconstrueren en alle teksten van het Nieuwe Testament begreep als onderdeel van die geschiedenis.
Woordenschat en stijl
In het geval van Kolossenzen begon het met het bestuderen van woordenschat en stijl. Het valt op dat de brief zo’n tachtig woorden bevat die Paulus nergens anders gebruikt. Dat is ook in vergelijking met de andere brieven een hoog aantal. Het probleem is wel dat zo’n getal eigenlijk heel weinig zegt. Auteurs variëren nu eenmaal hun woordgebruik al naargelang het onderwerp.
Belangrijker is eigenlijk dat de auteur een tiental standaardwoorden van Paulus juist niet gebruikt, terwijl je dat gezien de verdere inhoud wel zou verwachten. Hierbij gaat het om belangrijke woorden als ‘redden’, ‘geloven’ (het werkwoord), ‘rechtvaardigen’ en ‘rechtvaardiging’, en ‘zonde’. Zeer opvallend is ook dat de auteur zijn lezers niet eenmaal met ‘broeders en zusters’ aanspreekt, terwijl dat in de andere brieven geregeld en bijna onwillekeurig gebeurt.
Ook de stijl voelt echt anders aan. In Nederlandse vertalingen zal het niet zo zichtbaar zijn, maar veel kleine verbindingswoordjes die je in de andere brieven tegenkomt zijn hier afwezig. De brief argumenteert ook veel minder dan de andere. De zaken worden vaak eenvoudigweg geponeerd. De toon is nogal zwaar, met vrij lange, aan elkaar geregen zinnen, welhaast op plechtige wijze. Doorslaggevend zijn al zulke waarnemingen niet, maar ze duiden er wel op dat er iets aan de hand kan zijn, en onderzoekers hebben de plicht om naar een verklaring te zoeken.
Vragen over auteurschap gaan nooit alleen over het taalgebruik: ze betreffen ook de inhoud. Kolossenzen bevat veel uitdrukkingen en gedachten die kenmerkend zijn voor de Paulus van de andere brieven, maar ook ideeën die nieuw zijn, die verder gaan dan of zelfs in tegenspraak lijken met andere teksten.
Opstanding
Het scherpst blijkt dit op het punt van de opstanding en de zogeheten ‘eschatologie’ (de ‘laatste dingen’). Tegenover de Korintiërs, die dachten dat ze al waren opgestaan, net als Christus, houdt Paulus in 1 Korintiërs 15 nadrukkelijk vol dat die opstanding en de bijbehorende verandering nog moeten plaatsvinden, en wel bij de wederkomst van Christus. Ook aan de Romeinen schrijft Paulus dat hun opstanding in de toekomst zal plaatsvinden (Rom 6:5 et cetera).
Ook vind je elders bij Paulus steeds de verwachting dat de tijd spoedig ten einde zal lopen. Kolossenzen slaat hier een heel andere toon aan. De ‘hoop’ is niet afwezig, maar van haast is geen sprake meer. Belangrijker nog: herhaaldelijk schrijft de auteur dat de lezers al zijn opgewekt, bijvoorbeeld in Kolossenzen 2:12: ‘Toen u gedoopt werd bent u immers met hem begraven, en met hem bent u ook tot leven gewekt …’ (De Nieuwe Bijbelvertaling).
Ook vreemd is Kolossenzen 1:24, waar de auteur over zijn moeiten: schrijft ‘dat ik in mijn lichaam mag aanvullen wat er nog aan Christus’ lijden ontbreekt’; je zou van Paulus verwachten dat Christus’ dood geheel voldoende is. Het lijkt er ook op dat het bij geloof minder gaat om overgave en vertrouwen en meer om traditie en geloofsinhouden. Zo spreekt Kolossenzen 2:7 over ‘het geloof dat u geleerd is’.
Gehoorzamen
Tenslotte – er zou veel meer te noemen zijn – vallen de leefregels op: slaven, kinderen en vrouwen moeten hun meesters, ouders en echtgenoten gehoorzamen (Kol 3:18–4:1). Dit is precies de heersende moraal van het Romeinse Rijk, maar het klinkt juist vreemd uit de mond van Paulus.
Wat moet de conclusie zijn? Hebben we misschien te maken hebben met een oudere, enigszins bezadigde of zelfs vermoeide Paulus? Op het punt van de opstanding en de wederkomst heeft hij dan misschien zijn opvattingen bijgesteld, en de plechtige stijl is een bewuste keuze. Het is echter goed mogelijk dat de brief van na Paulus’ dood is, omdat je anders de tegenstellingen niet echt kunt verklaren. Een andere tijd en andere problemen brachten iemand ertoe om in een eigen tekst Paulus’ gezag te laten spreken.
Sommigen denken daarbij dat er wel stukjes van Paulus in zitten, maar dat grote delen zijn toegevoegd en omgewerkt door iemand anders. Weer anderen zien naast de verschillen ook de overeenkomsten en nemen aan dat Paulus bij de brief betrokken moet zijn geweest, maar het schrijven zelf aan een secretaris heeft overgelaten, bijvoorbeeld Timotheüs. De stem die sprak was dan wel die van Paulus, maar de hand die schreef was van iemand anders. In dit laatste scenario is de brief dus van Paulus en niet van Paulus tegelijk, en daarmee een soort brug tussen de onbetwiste Paulusbrieven en de duidelijk latere geschriften zoals de pastorale brieven. Het onderzoek gaat voort.