Home/Bijbelblog/Micha 5 in de Kersttijd
Literatuur

Karel Deurloo, Om het recht lief te hebben. Verhalen over de boerenprofeet Micha, Baarn 1983

Atze Landman, Messias-interpretaties in de Targumim, Kampen 1986

Paul Mandel, ‘Bethlehem and the Birth of the Messiah in the Eyes of a Byzantine Jewish Storyteller: Rebuke or Consolation’, in Alberdina Houtman e.a. (red.), Religious Stories in Transformation: Conflict, Revision and Reception (Jewish and Christian Perspectives 31), Leiden 2016, 234-259

Riemer Roukema, Micah in Ancient Christianity: Reception and Interpretation (Studies of the Bible and its Reception 15), Berlijn 2019

Bijbelblog
Prof.dr. R. Roukema
Onderzoekshoogleraar Vroeg Christendom
28 november 2019

Micha 5 in de Kersttijd

In de Kersttijd wordt in veel kerken Micha 5:1-4a gelezen. Deze passage gaat over een koning voor Israël die in Betlehem geboren zou worden. Volgens het Nieuwe Testament slaat deze profetie op Jezus, maar er zitten wel haken en ogen aan die uitleg. Daarom deze keer een blog om predikanten en andere voorgangers van dienst te zijn.

Al in de vijfde eeuw werd het begin van Micha 5 in de kerk van Jeruzalem met het Kerstfeest gelezen. In de tweede helft van de vierde eeuw, toen de viering van het Kerstfeest op 24-25 december nog niet in Jeruzalem was doorgedrongen, werd Micha 5:1-6 gelezen aan de vooravond van Epifanie op 6 januari. Epifanie was aanvankelijk het feest van Jezus’ geboorte. Daarvoor gingen de gelovigen in Jeruzalem naar het veld bij Betlehem waar, volgens de overlevering, de engelen aan de herders de geboorte van Christus hadden bekendgemaakt (Lucas 2:8-14). Enigszins letterlijk vertaald uit het Hebreeuws (voor zover mogelijk) luidt Micha 5:1-4a aldus:

En jij, Betlehem in Efrata, [te] klein om tot Juda’s geslachten te behoren,

uit jou komt voor mij iemand voort die heerser in Israël zal zijn.

Zijn oorsprong ligt in het verleden, in de dagen van weleer.

Daarom geeft hij hen prijs tot de tijd dat zij die zal baren gebaard heeft.

Wie van hun broeders zijn overgebleven zullen dan terugkeren naar de Israëlieten.

Hij zal staan en hen hoeden in de kracht van de HEER,

met de majesteit van de naam van de heer zijn God.

Zij zullen [rustig] blijven zitten, want zijn macht zal zich uitstrekken tot aan de einden der aarde,

en hij zal vrede zijn.

Context van de profetie

In het boek Micha volgt deze passage op een hoofdstuk waarin eerst voor alle volken vrede en heil worden aangekondigd, onder Gods koningschap (Micha 4:1-8), en daarna ballingschap in Babel en oorlog tussen Sion (Jeruzalem) en de volken (Micha 4:9-14). Micha trad als profeet op in de achtste eeuw voor Christus, toen Israël werd aangevallen door de Assyriërs. Die hebben een groot deel van de inwoners van Samaria, het Noordrijk (vgl. Micha 1:1), in ballingschap gevoerd. Maar de latere ballingschap van de stammen Juda en Benjamin met de hoofdstad Jeruzalem, het Zuidrijk, lag ook al in het verschiet.

Tegen die achtergrond klinkt in Micha 5 de aankondiging van een nieuwe heerser die in het onooglijke stadje Betlehem, in de streek Efrata, geboren zou worden. Misschien wordt Efrata erbij vermeld, omdat er ook een ander Betlehem was of had bestaan, maar dan in het gebied van de stam Zebulon in Galilea; zie Jozua 19:15.

Het is niet zomaar iemand die geboren zou worden en ‘voor mij’, dus voor God, over Israël zou heersen. Deze profetie verwijst naar koning David, die immers uit Betlehem in Efrata afkomstig was en tot de stam Juda behoorde (zie 1 Samuel 16:1-13; 17:12). Naar dat oude koningshuis, dat ten onder leek te gaan (zie Micha 4:9), verwijzen de woorden: ‘Zijn oorsprong ligt in het verleden, in de dagen van weleer.’ Volgens de profeet zal het oude koningshuis van David dus worden hersteld. Deze verwachting vinden we ook in de Psalmen 89 en 132 en in Jesaja 9:1-6 en 11:1-10. 'Zij die baren zal' verwijst naar de moeder van de toekomstige heerser.

Verder lezen

Met hen die ‘van hun broeders zijn overgebleven’ worden waarschijnlijk diegenen bedoeld die uit de ballingschap zullen terugkeren. Evenals in het beroemde visioen in Micha 4:3-4, over zwaarden die worden omgesmeed tot ploegijzers en speren tot snoeimessen (ook in Jesaja 2:4), kondigt Micha in 5:4a weer vrede aan, sjalôm.

Het is echter een punt van discussie waar die woorden ‘en hij zal vrede zijn’ bij horen. In gangbare uitgaven van de Hebreeuwse Bijbel staan deze woorden afgedrukt als afsluiting van Micha 5:1-3. Zo is dat overgenomen in de Nieuwe Bijbelvertaling van 2004. Maar in de Hebreeuwse handschriften en in de oudste handschriften van de Septuaginta, de belangrijkste Griekse vertaling, wordt deze keuze niet gemaakt omdat de tekst daar zonder markering doorloopt.

Dit heeft hier tot gevolg dat het zinnetje over de vrede ook kan worden gelezen als het begin van Micha 5:4-5. Daar gaat het over de komende strijd met de Assyriërs, waaruit Israël als overwinnaar tevoorschijn komt.

In de Septuaginta wordt Micha 5:4a vertaald als ‘en dit zal vrede zijn’. In oudchristelijke commentaren hierop worden deze woorden soms beschouwd als de afsluiting van Micha 5:1-3, maar ook wel als inleiding op het vervolg. Het boek Micha staat erom bekend dat zijn indeling soms lastig is vast te stellen.

Wie wordt bedoeld?

Op welke heerser sloeg deze profetie? Hierover bestaan verschillende opvattingen, die elkaar niet per se uitsluiten. Profetieën kunnen in verschillende tijden op verschillende personen worden toegepast. Het ligt misschien het meest voor de hand dat Micha aan een koning in de nabije of iets verdere toekomst dacht.

Toch is er slechts één zo’n uitleg bekend, namelijk van de christen Theodorus van Mopsuestia. Tussen 370 en 380 schreef hij in zijn jonge jaren een Griekse Commentaar op Micha. Volgens hem duidde deze passage in eerste instantie op Zerubbabel, die gold als een afstammeling van David (1 Kronieken 3:19). Zerubbabel had de leiding over de Israëlieten die na de Babylonische ballingschap waren teruggekeerd naar Jeruzalem en daar begonnen de verwoeste tempel te herbouwen. In het boekje Haggai wordt hij ‘gouverneur van Juda’ genoemd (o.a. Haggai 1:2), en zegt de profeet dat de HEER hem heeft uitgekozen (Haggai 2:23; zie ook Ezra 2-5; Nehemia 7:7; 12:1; Zacharia 4:6-10).

Theodorus heeft met zijn primaire toepassing van deze profetie op Zerubbabel weinig navolging gevonden. Alleen in de latere Syrische kerk is zijn uitleg soms overgenomen. In hedendaagse commentaren komt hij niet meer terug.

De christelijke uitleg wordt namelijk vrijwel geheel bepaald door het verhaal in het tweede hoofdstuk van het Griekse evangelie van Matteüs. Magiërs in het oosten hadden een bijzondere ster gezien die zou wijzen op de geboorte van een koning. In Jeruzalem vroegen ze koning Herodes de Grote hiernaar. Die schrok zich lam en vroeg overpriesters en schriftgeleerden waar de Christus, ofwel Messias, geboren zou worden. Zij haalden toen deze woorden aan (Matteüs 2:6, in de Nieuwe Bijbelvertaling):

  

En jij, Betlehem, [in het] land van Juda, 

bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda,

want uit jou komt een leider voort die mijn volk Israël zal hoeden.  

In het evangelie van Matteüs slaat deze profetie op de geboorte van Jezus, en zelfs Theodorus geeft toe dat de vervulling ervan uiteindelijk met Christus is gegeven, al verwijst hij daarvoor niet naar het evangelie. Ook al wordt Micha’s naam door Matteüs niet genoemd, toch is het evident dat de priesters en schriftgeleerden uit zijn boek citeerden (aangevuld met enkele woorden uit 2 Samuel 5:2). Gaan we uit van de messiaanse uitleg van Micha’s tekst, dan is hij de enige profeet die Betlehem noemt als de plaats waar de Messias geboren zou worden.

Dat joodse schriftgeleerden deze passage lazen met betrekking tot de Messias, wordt bevestigd door de Targum. Dat is de vrije, interpreterende vertaling van het Oude Testament uit het Hebreeuws in het (hiermee verwante) Aramees. De Targum op de profeten is enkele eeuwen na het begin van de jaartelling geschreven, maar bevat ongetwijfeld oudere tradities. In Micha 5:1 luidt deze vrije Aramese vertaling (vertaald door Atze Landman):

En jij, Betlehem Efrata, [te] klein was je
om geteld te worden onder de duizenden van het huis van Juda;
uit jou zal voor mij de Messias uitgaan
om over Israël machthebber te zijn
en wiens naam reeds in de dagen van weleer werd genoemd.

Slordig geciteerd?

Met het citaat in Matteüs is wel iets vreemds aan de hand. Het wijkt namelijk nogal af van de Hebreeuwse tekst, en het stemt ook niet overeen met de Griekse Septuaginta. We beperken ons tot twee opvallende verschillen. Waar de Hebreeuwse tekst, letterlijk vertaald, zegt: ‘klein om te zijn onder de duizendtallen (of: geslachten) van Juda’, staat er in het evangelie van Matteüs, in het Grieks: ‘je ben zeker niet de geringste onder de leiders van Juda’.

Het verschil tussen ‘duizendtallen’ (dat ook ‘geslachten’ kon betekenen) en ‘leiders’ is eenvoudig te verklaren. In de Hebreeuwse tekst van onze Bijbeluitgave staat ’alfē, een meervoudsvorm van ’èlèf, ‘duizend’. Matteüs gebruikte daarentegen een tekst die, met een verdubbeling en andere klinkers tussen de medeklinkers, ’allūfē las, het meervoud van ’allūf, ‘leider (over duizend)’. Zulke afwijkende ‘vocalisaties’ van de Hebreeuwse medeklinkers komen wel vaker voor. Ingrijpender is de ontkenning die de schriftgeleerden in Matteüs 2:6 citeren. Waar Micha Betlehem ‘klein’ noemde, zeggen de schriftgeleerden dat deze stad ‘zeker niet de minste onder de leiders van Juda’ was. Waar komt die ontkenning ‘zeker niet’ vandaan?

In 393 schreef de monnik Hieronymus in Betlehem in zijn Commentaar op Micha dat Matteüs weergaf hoe de priesters en schriftgeleerden Micha’s profetie slordig citeerden. Hij geeft toe dat zulke afwijkingen van de oudtestamentische profetieën vaker voorkomen, omdat ze uit het hoofd werden aangehaald. Sommige nieuwtestamentici menen dat Matteüs het verhaal van de magiërs en de reactie van de schriftgeleerden uit een oudere bron heeft overgenomen, inclusief de slordige aanhaling uit het boek Micha. Anderen denken dat Matteüs voor het citaat heeft geput uit een oude verzameling van profetieën die door de christenen uit de begintijd op Jezus werden betrokken.

Hoe dit ook zij, niemand heeft een afdoende verklaring voor de afwijking in het citaat, waardoor ‘klein’ verandert in ‘zeker niet de minste’. Het lijkt onbevredigend, maar voor zulke kwesties bestaat niet altijd een duidelijke oplossing. Voor de bredere strekking van dit verhaal is de afwijking echter niet essentieel.

Liturgie en prediking

Als Micha 5:1 in de Kerstnacht wordt gelezen, dan is dat omdat christenen hierin vanouds een profetie van de geboorte van Jezus hebben gehoord. Hem erkennen zij immers als de Christus ofwel Messias. Dan horen we hier dat zijn rijk zich zal uitstrekken over de hele aarde en dat hij vrede zal brengen. Een predikant zal die profetie van vrede enerzijds misschien relativeren, want de vrede waarvan deze tekst spreekt is met de komst van Jezus niet overal, ‘tot aan de einden der aarde’, gekomen. Anderzijds mag een voorganger deze belofte ook hooghouden, want Jezus geldt ondanks alle spanningen en onrecht als een bron van vrede en verzoening voor wie in hem geloven.

Opvallend is dat de Griekse vertaling van Micha 5:4a bijna letterlijk wordt geciteerd in Efeziërs 2:14, waar van Christus wordt gezegd: ‘Want hij is onze vrede’. Dat slaat daar op de eenheid van christenen van joodse en niet-joodse afkomst in de begintijd van de kerk. Ondanks hun verschillende achtergronden in Israël en in de ‘heidense’ volken konden zij in een christelijke gemeente door hun geloof in Christus toch één kerk vormen. Zo is het ook in de huidige tijd nog steeds zo dat we in een kerk in vrede met mensen van heel verschillende achtergronden kunnen samenkomen. In onze tijd kan deze profetie van vrede dus op allerlei niveaus worden toegepast, want de vrede van Christus is ertoe bestemd in allerlei moeizame, zelfs vijandige relaties verzoening te brengen.

Dr. Riemer Roukema is onderzoekshoogleraar Vroeg Christendom aan de PThU.