Home/Bijbelblog/Bijbelse seksualiteit? (II)
Prof.dr. R.H. Reeling Brouwer
Bijzonder Hoogleraar; Universitair Hoofddocent
Literatuur

Ewoud Sanders, ‘Seks in de Bijbel’,  NRC 16 januari 2019.

Karel Deurloo, Rochus Zuurmond, 'De dagen van Noach - De verhalen rond de vloed in schrift en oudste traditie', Baarn: Ten Have 1991

Michel Foucault, 'Geschiedenis van de seksualiteit' (1976, 1984), 2e druk Amsterdam: Boom 2018.

31 januari 2019

Bijbelse seksualiteit? (II)

Aan de Nederlandse vertaling van de Nashville-verklaring is een reeks verwijzingen naar Bijbelteksten toegevoegd. Zij maken geen onderdeel uit van het document en kennelijk is de gedachte dat ze de verklaring ondersteunen. Maar is dat wel zo? Deze blog gaat in op een passage uit Paulus’ brief aan de Romeinen.

In de brief van Paulus aan de Romeinen (1:26-27) staat het volgende:

Daarom heeft God hen overgegeven aan een passie waar geen eer aan te behalen valt: hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang ingeruild voor een die aan de natuur voorbijgaat, terwijl, daarmee te vergelijken, de mannen de natuurlijke omgang met vrouwen hebben opgegeven en in verlangen naar elkaar zijn ontvlamd: mannen die met mannen een figuur slaan. Zo krijgen zij zelf het verdiende loon voor hun dwaling!

Verband

Laten we eerst maar eens kijken naar het verband in de brief. Paulus spreekt in zijn brief zowel Joden als Grieken aan en hij wil dat zij elkaar aanvaarden (Rom. 15:7). Het evangelie is namelijk heilzaam voor Joden, maar ook voor niet-Joden (Rom. 1:16-17). Dat brengt tegenover beide groepen ook kritiek met zich mee. Beide zijn geconfronteerd met de rechtvaardige God, maar beide op een andere manier. Eerst krijgen de niet-Joden ervan langs. Dat gebeurt met uitdrukkingen die in veel Joodse bronnen uit die tijd slaan op de mensheid vol geweld, slechte mensen die indertijd de zondvloed en de ondergang van Sodom over zich afriepen (Rom. 1:18-32). Daarna (vanaf Rom. 2:1) stelt Paulus aan zijn mede-joden een zelfkritische vraag: Wat doen wij zelf eigenlijk, als we ons zien als beter dan de rest van de mensheid?

Joden over niet-joden

Eerst het verwijt aan de andere volken. Dit luidt, dat zij de Schepper en het geschapene vermengen, ook al weten ze dankzij Israël van de Schepper. Ze maken beelden van schepselen en zij vereren die in plaats van God (Rom. 1:23). En binnen de schepping vermengen zij wat tegengesteld is. Ze zijn voortdurend aan het ‘verwisselen’: waarheid en leugen (Rom. 1:25) – ja, en dan ook mannelijk en vrouwelijk, mannetje en wijfje (Rom. 1:26). Paulus’ verwijten aan de andere volken lijken sprekend op de kritiek in andere Joodse geschriften uit zijn tijd (bijvoorbeeld Wijsheid. 14:26).

Waarom speelden deze thema’s toen een rol? Dat heeft alles te maken met wat Joden in hun omgeving zagen. De Griekse cultuur was dominant. Joodse opstanden in Judea gingen gepaard met strijd tegen verschijnselen uit die heersende cultuur, zoals naakt sporten of lesbische omgang van vrouwen. Tegelijk deelt Paulus zijn taalgebruik met zijn Griekse omgeving. Je kunt je dus afvragen, wat een Griek in zijn woorden gehoord kan hebben.

Knapenliefde

Er zijn uit de 4e eeuw v.Chr. verschillende bronnen bewaard, die vertellen over de omgang van meester en slaaf in de kring rond de filosoof Socrates. Dat een volwassen man een voorkeur heeft voor een partner van hetzelfde geslacht, duikt daarbij niet op als een probleem. Punt van zorg is wel de beminde, de knaap. Het is voor een jongeling namelijk tegelijk belangrijk en gevaarlijk, als het oog van de meester op hem valt. Belangrijk, want hij komt hierdoor los van de sfeer van het huis en de vrouwen (!), hij leert goed te zorgen voor zijn eigen lichaam en hij treft een meester die hem voorbereidt op zijn toekomstige rol in het stadsbestuur (de polis).

Maar het is ook gevaarlijk. Zo moet de jongeling zich in het verleidingsspel niet als slaaf laten gebruiken, zich niet zomaar laten veroveren. Dat zou namelijk zijn eer te na zijn. Hij mag zich wel laten fêteren, maar mag ook weer niet omkoopbaar lijken.

De moeilijkste kwestie is wel, tot welke leeftijd hij het spel kan volhouden. Stopt hij te vroeg, dan kan hij zijn meester verliezen. Stopt hij te laat, dan geldt hij als ‘verwijfd’. Dan wordt het moeilijk de rol als zelfstandig staatsburger nog op zich te nemen. Voor je loopbaan is het dus nuttig, knaap van een beroemd leraar te zijn geweest, maar ze kunnen het straks, in volksvergadering en komediespel, ook tegen je gebruiken.

In het programma van manwording is het zaak, van passief beminde tot gelijkwaardig minnende vriend te worden. Deze pedagogie is vol voetangels en klemmen. De oudere Plato geeft daarom de raad maar helemaal van een lichamelijk gerealiseerde relatie af te zien. Echte gelijkwaardigheid is voor hem alleen in een gezamenlijk gedeelde liefde tot de waarheid te bereiken. De gelijkgeslachtelijke omgang wordt daarmee niet veroordeeld, zoals in het Jodendom, maar wel teruggedrongen.

Griekse begrippen

Wat zou nu een man, die uit deze traditie van Socrates komt, in de woorden van Paulus kunnen horen? Zoals gezegd: de begrippen die hij tegenkomt zijn die van de Griekse cultuur, niet van de onze.

Paulus maakt in de passage duidelijk dat je ‘eer’ moet kunnen behalen aan je optreden, dat je moet voorkomen dat je een ‘figuur slaat’. Dat sluit aan bij de Griekse angst voor schaamte. Niets was zo erg als gezichtsverlies. Je moest altijd waken voor je reputatie. In onze cultuur ligt dat anders. Onder ons telt dat je eerlijk bent over jezelf en dat je uitkomt voor je gevoelens.

Ook valt Paulus’ gebruik van het begrip ‘natuur’ op. Er waren Griekse filosofen die het belangrijk vonden om te leven volgens de natuur. Deze stoïcijnen vonden dat je je tegennatuurlijke passies moet bedwingen en dat je een goede ‘omgang met je lusten’ moet ontwikkelen. Paulus spreekt, net even anders, van ‘wat aan de natuur voorbijgaat’, wat hij soms negatief bedoelt, soms positief  (Rom. 11:24).

Kortom: wie vertrouwd was met de knapenliefde in de Griekse mannenwereld, zou zich wel kunnen herkennen in de manier waarop Paulus erover spreekt: het kan een problematische zaak zijn, die je eer in gevaar brengt. Wat zo iemand niet wist was dat God het was die hem aan deze problematiek had ‘overgegeven’. Daarmee stelt Paulus de knapenliefde in het licht van het evangelie (Rom. 1:16-17), dat  ook Grieken een weg wil wijzen uit dilemma’s waarin ze zich verstrikken – hoe hij zich dat ook heeft voorgesteld.

Zelf antwoorden!

Een homoseksueel ‘zelf’ was in de tijd van Paulus onbekend, en dus ook aan Paulus zelf. Wat het evangelie betekent voor ons, die zich in onze tijd als homoseksuelen aandienen, zullen we dus zelf moeten beantwoorden. Wie, zoals de Nederlandse ondertekenaars van de Nashville-verklaring, denkt dat dit zomaar met Paulus te beantwoorden valt, moet na Romeinen 1 maar eens doorlezen in Romeinen 2: ‘U, die de moraal van anderen beoordeelt, welk oordeel valt er over het morele verhaal van uzelf?’ (Rom. 2:1).

Een eerdere, meer uitgewerkte versie van deze blog verscheen als artikel in Interpretatie 6(1998)8. 

Eerder sprak ook Heleen Zorgdrager zich uit over bijbelse seksualiteit in haar bijbelblog over Genesis.