Home/Bijbelblog/Mag de wetenschap de uitleg van de Bijbel bepalen?
Auteur

Prof. dr. G. van den Brink

Voormalig bijzonder hoogleraar Theologie van het Gereformeerd Protestantisme

Verder lezen

Stephen C. Barton & David Wilkinson (eds.), Reading Genesis after Darwin, Oxford 2009.

G.C. Berkouwer, De Heilige Schrift 2, Kampen 1967, spec. H.VI (over de “duidelijkheid der Schrift”).

Gijsbert van den Brink, En de aarde bracht voort. Christelijk geloof en evolutie, Utrecht 2017, H.4.

14 september 2017

Mag de wetenschap de uitleg van de Bijbel bepalen?

De publicatie kort voor de zomer van mijn studie En de aarde bracht voort riep een aantal reacties op. Sommige daarvan waren enigszins kritisch van aard, en één van de kritiekpunten luidde dat in dit boek de hedendaagse wetenschap bepaalt hoe de Bijbel uitgelegd moet worden. Volgens mijn critici is dat niet hoe het eraan toe behoort te gaan. De vraag die ik hier aan de orde wil stellen, luidt nu: hebben zij gelijk? Mijn antwoord zal zijn dat ze in één opzicht geen gelijk hebben, maar in een belangrijk ander opzicht wel. Het is dus ja en nee – en er is ook een maar.

1. JA

Een eerste oriëntatie op de vraag of de hedendaagse wetenschap de Bijbeluitleg mag bepalen, leidt zonder meer tot een bevestigend antwoord. Natuurlijk mag dat. Precies om die reden hebben wij wetenschappelijke bijbelcommentaren, en trainen we studenten in de omgang daarmee. Die commentaren bevatten talloze wetenschappelijke ontdekkingen – van filologische, linguïstische, geografische, historische aard, om slechts enkele disciplines te noemen – die van belang zijn om de Bijbel goed te kunnen verstaan. Wie geen idee heeft van de betekenisvelden van Hebreeuwse en Griekse begrippen zoals die in de loop van vele eeuwen onderzoek is komen vast te staan, kan zelfs geen begin maken met het lezen van de Bijbel. En dan heb ik het nog niet eens over het handschriftenonderzoek dat nodig is om de tekst van de Bijbel met enige nauwkeurigheid vast te stellen. Of we het nu leuk vinden of niet, we zijn voor de Bijbeluitleg dus vanaf het eerste stadium afhankelijk van wat nauwkeurig onderzoek ons heeft opgeleverd. De kerk heeft dan ook altijd dankbaar van zulk onderzoek gebruik gemaakt  – en wij mogen God er nog steeds dankbaar voor zijn.

Ook voor de uitleg van allerlei afzonderlijke teksten is zulk onderzoek van belang; weliswaar gaat dat onderzoek vaak terug op oude overleveringen en profiteert het daarvan, maar deze zullen toch altijd getoetst moeten worden. Zo zal men om Mattheüs 5:15 uit te kunnen leggen, moeten weten wat een ‘korenmaat’ is en naar welk oud-oosters gebruik het onderliggende Griekse woord verwijst. En om te weten of het ‘liefhebben’ in Joh.21:15-17 een sterkere betekenis heeft dan het ‘houden van’ in diezelfde verzen (ik citeer uit de Herziene Statenvertaling) dan wel of het puur gaat om literaire afwisseling van woorden met gelijke strekking, zal men een vergelijkend onderzoek moeten doen naar de werkwoordvariatie bij Johannes, en eventueel ook in andere bronnen die in een vergelijkbaar type Grieks gesteld zijn.

Het lijkt mij dat dit alles niet of nauwelijks controversieel is. Het gaat hier om het handwerk dat predikanten en andere voorgangers vrijwel dagelijks doen. Hun persoonlijke geloofsovertuiging kan wel invloed hebben op de manier waarop ze wetenschappelijke aanspraken ten aanzien van de bijbeltekst beoordelen, en heeft dat in de praktijk ook vaak: de één meent dat er niets mis is met resultaten van historisch-kritisch onderzoek, voor een ander zijn die bij voorbaat contrabande. Maar dat wetenschappelijk onderzoek in algemene zin medebepalend is voor de manier waarop de Bijbel uitgelegd moet worden, lijkt communis opinio. Ook wie de papieren van de wetenschap niet al te hoog aanslaat, zal als het goed is toch wel eens een commentaar uit de kast pakken dat op wetenschappelijke leest geschoeid is, of de pretentie heeft wetenschappelijk verantwoord te zijn. Zo bezien moet het antwoord op onze vraag dus luiden: ja, de wetenschap mag en moet zeker meedoen bij het vaststellen van de uitleg van de Bijbel. Ze is weliswaar niet de enige factor van belang – ook common sense speelt bijvoorbeeld een rol (er staat wat er staat en er staat dus niet wat er niet staat), de uitlegtraditie van de kerk (die is niet onfeilbaar maar wel altijd het overwegen waard), en zelfs zoiets ongrijpbaars als een door de Geest van God geheiligde intuïtie ten aanzien van waar het op aankomt. Maar wetenschap is bij dit alles dus nooit ver weg.

2. NEE

Toch is er ook een belangrijk opzicht waarin mijn critici gelijk hebben. Daarvoor moeten we iets meer inzoomen op de concrete aanleiding voor hun kritiek. In En de aarde bracht voort probeer ik te laten zien dat hedendaagse standaardweergaves van de theorie van biologische evolutie niet in strijd zijn met de Bijbel. Of die gedachte klopt, hangt natuurlijk in hoge mate af van de manier waarop de Bijbel uitgelegd moet worden. Ik probeer dus te laten zien dat bijvoorbeeld de eerste hoofdstukken van Genesis niet zo uitgelegd moeten worden, dat deze een jonge aarde veronderstellen waarop dieren nog niet te maken hadden met lijden en de dood en waar de mens als het ware kant en klaar op gezet werd. Mijn critici betogen nu dat ik op deze manier de evolutietheorie als een hermeneutische lens gebruik die bepaalt hoe de Bijbel gelezen mag worden. De evolutietheorie is dan het Procrustesbed waarop de Bijbel gelegd wordt. Of zoals laatst iemand in dit verband in het Reformatorisch Dagblad schreef: de Schrift moet dansen op de muziek van de wetenschap. Als dat klopt, is dat inderdaad oneigenlijk. Zó hoort de wetenschap de Bijbeluitleg niet te bepalen. Want zo  muilkorven we immers de Bijbeltekst en laten we deze dingen zeggen die de Bijbelschrijvers niet bedoeld hebben.  

Het is interessant om te zien dat deze kritiek vanuit twee zeer verschillende, en zelfs tegenover elkaar staande kampen geleverd wordt. (Mijn leermeester dogmatiek prof. Hans de Knijff zei wel eens, dat als uitersten elkaar raken je altijd op je hoede moet zijn omdat er dan doorgaans iets ‘aan de knikker is’, en dat kon hier ook wel eens het geval zijn – zie onder 3) Enerzijds zijn er bijbelgetrouwe christenen die er de staf over breken wanneer de Bijbeluitleg gekneed wordt naar de hedendaagse stand van zaken in het (natuur)wetenschappelijk onderzoek. Anderzijds heb je  atheïstische religiecritici die precies hetzelfde doen: zij stáán vaak op een zo letterlijk mogelijke bijbeluitleg, om de Bijbel vervolgens met een handomdraai als uiteraard zwaar verouderd van tafel te kunnen vegen.

Het lijkt mij dus dat beide groepen gelijk hebben op dit punt waarop ze elkaar vinden. De Bijbeltekst is te heilig dan dat we haar zouden kunnen ‘twisten en tweaken’ totdat ze zegt wat we graag willen horen omdat we er in onze door wetenschap gestempelde wereld mee voor de dag kunnen komen.

3. MAAR

Betekent dit nu dat degenen die het maar gezocht en gekunsteld vinden om de Bijbel zó uit te leggen dat ze niet strijdt met de evolutietheorie gelijk hebben? Kan ik de strekking van mijn boek maar beter herroepen? In alle bescheidenheid: ik meen dat dat niet het geval is. Het is namelijk niet zo dat ik de evolutiebiologie laat bepalen wat de Bijbel al dan niet zegt. Het is wel zo dat doorgaande ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek (zoals de ontwikkeling van de evolutietheorie over meer dan 150 jaar) op enig moment de aanleiding kunnen vormen om bepaalde traditionele bijbelexegeses nog eens kritisch tegen het licht te houden. Zeker in het protestantisme is de traditie immers niet heilig! Soms moet dus de vraag gesteld worden: hebben we het eigenlijk wel goed gezien dat bijbeltekst x of y zus en zo uitgelegd moet worden? Hebben we bijvoorbeeld het genre van de betreffende tekst wel voldoende verdisconteerd? En hebben we wel voldoende oog gehad voor de mate waarin de Here God zich in zijn openbaring heeft aangepast aan het kennisniveau en wereldbeeld van de eerste lezers? Dát dat laatste zo is, is eigenlijk onmiskenbaar. Nergens in de Bijbel lezen we bijvoorbeeld iets over de onmetelijke afstanden in het heelal met zijn talloze sterrenstelsels en ongelooflijke lichtsnelheden. Blijkbaar heeft God het niet nodig geacht de eerste lezers op de hoogte te brengen van hoe zijn scheppingswerk nu precies in elkaar zit. Waarom zou wat voor de ruimte geldt dan ook niet voor de tijd kunnen gelden – zodat ook die vele malen uitgestrekter is dan een lezing-op-het-eerste-gezicht van de Bijbel doet vermoeden?

Kortom, de wetenschap bepaalt in zo’n geval niet de uitleg van de Bijbel, maar ze vormt wel de aanleiding (zo noemde VU-theoloog G.C. Berkouwer dat in de vorige eeuw) om nog eens na te gaan of de eigenlijke strekking van de Bijbeltekst misschien niet van een andere aard is dan we dachten. Natuurlijk is de conclusie denkbaar dat de traditionele uitleg ook bij nader inzien wel degelijk correct is. In dat geval moeten we wellicht nog eens kritisch kijken naar wat voor wetenschappelijk vaststaand wordt uitgegeven. In het geval van de theorie van biologische evolutie echter meen ik dat die inderdaad de aanleiding kan vormen om tot een zorgvuldiger uitleg te komen van wat de eerste hoofdstukken van Genesis ons vanuit zichzelf nu wel en niet te zeggen hebben. Ze helpt ons om ons bij de uitleg niet zozeer te concentreren op allerlei ‘feitachtige’  details, maar op de eigenlijke boodschap ervan – de boodschap van een genadige God die ondanks de zondige opstand van mensen (Gen.3) het werk van zijn handen (Gen.1 en 2) niet loslaat (Gen.3:15).

 

Gijsbert van den Brink was werkzaam als bijzonder hoogleraar Theologie van het Gereformeerd Protestantisme aan de PThU, vestiging Amsterdam, en is nu hoogleraar aan de VU.

Reageren ?