Home/Bijbelblog/Jezus en de geboden
Auteur

Chanan Raguse is onlangs afgestudeerd bij de PThU.

27 september 2018

Jezus en de geboden

Een geïnteresseerde lezer stelde de volgende vraag: Mij valt op dat Jezus geen concrete regels geeft, maar verhalen vertelt waar mensen zelf conclusies uit moeten trekken. Bij joden en moslims zijn er heel duidelijke regels waar je je gewoon aan moet houden, zonder dat je erover na hoeft te denken. Hoe zit dit?

Halacha en Sjaria

In het jodendom en de islam spelen geboden inderdaad een belangrijke rol. Beide religies hebben hun heilige boeken, de Tora en de Koran. Daarnaast kennen ze in Talmoed en Hadith omvangrijke werken met uitgebreide discussies over de correcte uitvoering van de religieuze leefregels. In beide godsdiensten is er dan ook het concept van de religieuze wet. Deze heet in het jodendom halacha en in de islam sjaria. Het gaat hierbij niet om een starre set regels. De juiste naleving van de geboden is juist het onderwerp van een brede discussie.

Tora en Talmoed

Er zijn in het jodendom twee bronnen voor de halacha: de schriftelijke en de mondelinge Tora. De schriftelijke Tora zijn de vijf boeken van Mozes, helemaal aan het begin van de Bijbel. Volgens de joodse traditie heeft God deze aan Mozes gedicteerd tijdens de 40 dagen dat hij op de Sinaï was. Maar dat gebeurde overdag. ’s Nachts leerde God Mozes de mondelinge Tora. Dit is de actualiserende uitleg van de schriftelijke Tora. Via Jozua, de profeten en de farizeeën zou de mondelinge Tora steeds verder bediscussieerd en overgeleverd zijn, tot ze rond het jaar 200 door Jehuda Hanassi op schrift werd gesteld. Deze schriftelijke vastlegging heet de misjna. Zij is het eerste systematische overzicht van de gangbare meningen over de correcte uitvoering van de geboden. Het beste kan ze worden omschreven als beknopte notulen van een eeuwenlange discussie over het juiste naleven van de geboden.

Deze ‘notulen’ werden vervolgens door latere generaties geleerden opnieuw bestudeerd, bediscussieerd en becommentarieerd. De schriftelijke vastlegging van deze tweede discussieronde heet gemara. Beide woorden – misjna en gemara – betekenen leer. De notulen van beide discussieronden zijn samengevoegd tot een boek: de Talmoed. Een kort stuk misjna wordt steeds gevolgd door een uitgebreid stuk gemara, waarin de bepalingen van de misjna verhelderd, bediscussieerd en becommentarieerd worden.

Door het notulaire karakter van de Talmoed is het voor leken vaak lastig om snel even op te zoeken hoe zij een bepaald gebod moeten houden. Om die reden ontstond in de 16e eeuw de sjoelchan aruch (gedekte tafel). Het is een vereenvoudigde, voor leken geschreven gids. Daarin kunnen zij voor alle voor het dagelijkse leven relevante geboden de gangbare uitvoeringswijzen opzoeken.

Koran en Hadith

Ook de islam kent twee bronnen voor de sjaria: de Koran en de soenna. In de Koran zijn er zo’n 500 verzen die betrekking hebben op een wettelijke bepaling. Deze worden onderverdeeld in verzen die in zichzelf helder zijn en geen uitleg behoeven en verzen die wel uitleg nodig hebben. De soenna beschrijft de handelwijzen van de profeet Mohammed. Zij hebben een normatief karakter en zijn vastgelegd in de hadith. Naast overleveringen van handelwijzen van de profeet Mohammed bevat de hadith uitspraken en handelingen van anderen, die Mohammed stilzwijgend goedgekeurd zou hebben.

De wetenschap van de sjaria wordt in de islam fikh genoemd. Net zoals bij de joodse halacha is het geen star wetssysteem. Het is veelmeer een methode om tot een rechtsoordeel te komen. Zo zijn er betreffende de concrete uitvoering van de bepalingen van de sjaria verschillende meningen mogelijk. Deze gaan terug op vier grote islamitische rechtsscholen. Deze verschillen bijvoorbeeld van mening over het juiste tijdstip van het ochtendgebed. Drie scholen zijn van mening dat het ochtendgebed tijdens het begin van de ochtendschemering uitgevoerd dient te worden. De vierde school is van mening dat het meest geschikte tijdstip iets later is – namelijk met het opkomen van het ochtendrood. In de Talmoed zijn vergelijkbare discussies te vinden over het tijdstip waarop een Jood het ochtendgebed dient uit te spreken.

De wil van God

Christenen klinken dergelijke discussies vaak vreemd in oren. Menigeen zal de discussie of het morgengebed nu met de ochtendschemering of het ochtendrood uitgevoerd dient te worden als haarkloverij afdoen. Vanuit het perspectief van de joodse of islamitische traditie is het dat zeker niet. Het grondmotief dat aan dergelijke spitsvondigheden ten grondslag ligt is het streven om volgens de wil van God te leven. In zijn alomvattende wijsheid en genade heeft God immers in de heilige geschriften zijn wil geopenbaard. Via de discussies over hoe een bepaald gebod op de juist wijze ingevuld dient te worden proberen de geleerden deze wil te doorgronden. Hoe concreter een goddelijke opdracht is verstaan, hoe beter de mens God door de correcte uitvoering hiervan kan eren.

Het Jodendom van de Tweede Tempel

Jezus was een wetsgetrouwe Jood. Zijn leven en optreden vallen in de periode van de Tweede Tempel. Deze periode begint rond het jaar 200 v.Chr. en wordt gekenmerkt door een grote veelkleurigheid in het Jodendom. Onder invloed van het Hellenisme ontstaan er verschillende hervormingsbewegingen. Bekend uit onder andere de evangeliën zijn de Farizeeën, de Sadduceeën en de Essenen.

De Essenen worden vaak in verband gebracht met de gemeenschap in Qumran, bekend door de Dode Zeerollen. De Sadduceeën waren een elitaire groep rondom de priesters van de Tempel in Jeruzalem. De Farizeeën waren Schriftgeleerden. Zij hadden hun centrum in Galilea. Vaak lagen ze in clinch met de Sadduceeën. Kenmerkend voor de Farizeeën is de leer van de mondelinge Tora, waarnaar ik eerder verwees. Deze zou Mozes van God op de Sinaï hebben ontvangen. Met hun nadruk op de mondelinge Tora zetten de Farizeeën zich af van de Sadduceeën. Ook relativeerden zij hiermee het belang van de tempel in Jeruzalem.

Elk van deze verschillende groepen had haar eigen opvatting over hoe de religie in deze nieuwe periode vormgegeven moest worden. Het debat dat de verschillende groeperingen hierover voerden vormt het kader voor de evangeliën.

Jezus

De kern van Jezus’ boodschap is de nabijheid van de koningsheerschappij van God. In het klein is deze volgens hem al begonnen, maar in de nabije toekomst zal deze zich pas echt ontvouwen. Om de verhouding tussen heden en toekomst van de goddelijke heerschappij duidelijk te maken, vertelt Jezus gelijkenissen. Het is met de heerschappij van God als met een mosterdzaadje, of een zuurdesem. Nu is het zaadje nog een kleine korrel, maar als het wordt geplant, kan er een grote plant uit groeien. Zo heeft de zuurdesem ook tijd nodig voor hij een heel deeg doorzuurd heeft.

Mensen kunnen bijdragen aan de verbreiding van de goddelijke heerschappij. Ze doen dit door zich te houden aan de geboden. Deze gedachte deelt Jezus met de Farizeeën. Alleen verschillen zij van mening over de vraag hoe de geboden precies gehouden dienen te worden. Dit is de reden waarom de evangeliën vaak vertellen over conflicten tussen Jezus en de Farizeeën. Het is een strijd van twee groeperingen die heel dicht bij elkaar liggen en zich juist daarom aan elkaar ergeren.

Halacha van Jezus

De Bergrede (Matteüs 5-7) laat heel mooi zien hoe Jezus deelneemt aan de discussie over de Tora. Vijf keer begint Jezus met “Jullie hebben gehoord dat (tegen de ouden) is gezegd dat ...” (Matteüs 5:21-48). Op deze inleiding volgt altijd een gebod, dat vervolgens door Jezus wordt aangescherpt. Jezus volgt hier een principe dat later ook door de rabbijnen wordt toegepast. Hij plaatst een hek om de Tora. Om er zeker van te zijn dat het gebod niet wordt overtreden, wordt als het ware al een lijn getrokken vóór de uiterste grens van wat nog aanvaardbaar is. Het doel van deze omheining is dus te voorkomen dat een mens een regel overtreedt.

In zijn boeiende boek A Rabbi Talks with Jesus vergelijkt Talmoedgeleerde Jacob Neusner Jezus’ uitleg van de geboden met de discussies van de rabbijnen in de Talmoed. Allereerst herkent Neusner grote overeenkomsten tussen Jezus en de latere rabbijnen. Op basis hiervan voert Neusner met Jezus een fictief gesprek over hun opvattingen over halacha. Tijdens hun gesprek stelt Neusner ook verschillen vast. Op verschillende plaatsen doet Jezus namelijk meer dan alleen de Tora uit leggen. Impliciet maakt Jezus ook iets duidelijk over zichzelf. In de laatste van de zaligsprekingen (Matteüs 5:11-12) zegt hij bijvoorbeeld:

Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. Verheug je en juich, want je zult rijkelijk worden beloond in de hemel; zo immers vervolgden ze vóór jullie de profeten.

In de drie woorden omwille van mij claimt Jezus een positie die uitstijgt boven die van een gewone rabbi. Dit wordt ook duidelijk in Matteüs 23:8-10:

Jullie moeten je niet rabbi laten noemen, want jullie hebben maar één meester, en jullie zijn elkaars broeders en zusters.  En noem niemand op aarde vader, want jullie hebben maar één vader, de Vader in de hemel.  Laat je ook niet leraar noemen, want jullie hebben maar één leraar, de Messias. 

Jezus beweert hier dat hij de enig juiste halacha leert. Hij is de enige die de ware wil van God kent. In Jezus’ uitleg van de Tora klinkt altijd ook zijn claim mee de Messias te zijn.