Home/Bijbelblog/Onopgeefbaar verbonden?!
6 december 2018

Onopgeefbaar verbonden?!

In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland staat: “De kerk is geroepen gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël.” Een predikant van die kerk gaf onlangs aan dat hij het niet met die formulering eens is. Deze blog werpt nieuw licht op de discussie die volgde.

De laatste maanden stond artikel 1.7 van de kerkorde hoog op de agenda in protestants Nederland. Aanleiding was de publicatie “De kerk kan prima zonder Israëltheologie” van ds. Jan Offringa, predikant van de Protestantse gemeente te Wijk bij Duurstede en hoofdredacteur van www.liberaalchristendom.nl. De tekst van zijn betoog en een aantal reacties zijn terug te vinden op die website. Ook de website joods-christelijke-dialoog.nl/ verzamelde een bonte verzameling reacties. In een interview in Trouw van 14 september jongstleden, zegt de auteur met zijn manifest te hopen op “een leuke discussie.” Die discussie is er. “Leuk” blijkt echter geen geschikte beschrijving van de aard ervan. Het gaat om een belangrijke kwestie, en uit de vele reacties bleek dat het manifest naast instemming ook pijn, schrik, verontwaardiging, en afkeuring teweegbracht. Verontwaardiging en afkeuring aan orthodox-christelijke zijde vanwege de relativering van het openbaringskarakter van de Bijbel, en pijn en schrik aan Joodse zijde vanwege het gevoel opnieuw in de steek gelaten te worden.

Liberaal christendom

Wat zijn de belangrijkste punten van Offringa en, wat ruimer genomen, van zijn liberale christendom? Zijn eerste punt is dat hij geen “verjoodsing” van het christendom wil. Offringa’s woordgebruik is hier heel ongelukkig gekozen gezien oude, antisemitische connotaties van het woord. Offringa bedoelt dit niet in die zin, maar wat hij dan wel bedoelt blijft onduidelijk. Hij keert zich vooral tegen theologen die vinden dat de kerk terug moet naar haar joodse wortels, inclusief een herwaarding van de Tora. Volgens hem gaat daar de gedachte achter schuil dat een van oorsprong joods-christelijk evangelie later bezoedeld raakte door het Griekse denken. Die Griekse laag zou weer moeten worden “afgepeld” om tot de ware kern van het evangelie te komen. Offringa ziet het christendom anders, namelijk als een synthese van een hellenistische vorm van het jodendom met de wereld van het Grieks-Romeinse denken, waardoor het echt een andere, zelfstandige godsdienst is geworden, los van het jodendom.

Zijn tweede punt is politiek. Liberale theologen staan een rechtvaardige en vreedzame oplossing voor in het Joods-Palestijns conflict. Offringa ziet de gedachte dat de staat Israël een inlossing is van een oude goddelijke belofte als een belemmering in dat conflict. Israël moet beoordeeld worden als een staat als alle andere staten. Een status aparte als oogappel van God zou een rechtvaardige vrede in de weg staan.

Offringa duidt de behoefte om Israël in de theologie een aparte plek te geven als gevolg van schuld en schaamte vanwege het verleden. Zo’n aparte plek voor Israël is volgens hem niet alleen onnodig maar ook dubieus. Het suggereert een onderlinge afhankelijkheid die er niet (meer) is.  Op dit laatste punt wil ik in deze blog wat dieper ingaan.

Israël en Jezus

De naam Israël, als eigennaam en als volksnaam, komt 2525 keer voor in de Hebreeuwse Bijbel, in het Nieuwe Testament komt hij 34 keer voor. Dat is nog afgezien van de term jood/joden die alleen in het Nieuwe Testament al 183 keer voorkomt. We kunnen dus bij het lezen van de Bijbel eenvoudigweg niet om Israël of het Joodse volk heen. Het is het meest centrale thema van beide testamenten. Die aparte plek hoeven wij het niet te geven, die heeft het! Als we de Bijbel zien als Heilige Schrift, dan zullen we dus iets met Israël moeten.

Het begint bij de evangeliën in het Nieuwe Testament, die het leven en sterven van de joodse man Jezus beschrijven. Over een paar weken lezen we met Kerst weer het geboorteverhaal van Lucas, waarin de engel tegen de herders zegt: “Ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren” (Lucas 2:10-11). Die “jullie” is het volk Israël. Jezus kwam voor Israël. Jezus zelf zegt ook bij een aantal gelegenheden waarbij niet-Joden een beroep op hem doen, dat hij alleen is gezonden naar de verloren schapen van het volk Israël. Maar uiteindelijk zwicht hij dan toch bij het zien van oprecht geloof (bijv. Matteüs 15:22-28). Daarmee wordt de deur op een kier gezet voor niet-joden. Als Jezus ten slotte sterft en weer opstaat, geeft hij zijn discipelen de opdracht om de wereld door te trekken en aan alle mensen het goede nieuws te verkondigen (Matteüs 28:19-20, Marcus 16:13). Van een kier wordt dan de deur helemaal opengezet.

Het boek Handelingen beschrijft hoe het evangelie werd verkondigd aan zowel Joden als niet-Joden (bijv. Handelingen 11:19-20). De boodschap bleek vooral bij die laatste groep aan te slaan. Al snel veranderde daardoor de jonge Jezus-beweging van een Messias-belijdende joodse sekte in een gemengde, multiculturele gemeente. Toen de “heiden‑christenen” de dominante meerderheid werden, begonnen zij zich te beschouwen als het nieuwe volk van God, een geestelijk Israël dat het werk van het fysieke volk Israël zou moeten voortzetten. Daarmee werd de eerste stap gezet naar de ontwikkeling van een nieuwe religie: het christendom. De leerstelling van de goddelijkheid van Christus maakte de nieuwe religie tot een feit. Maar het bleef wel een verwante religie, waarbij de grenzen tussen de ene en de andere religie nog lang poreus bleven. Wat daarna volgde was een periode van afstoting en aantrekking, met name van de kant van de christenen.

Afstoting en aantrekking

Over de afstoting is veel bekend: joden werden beschuldigd van godsmoord, vervalsing van de Bijbel en godslastering. Ze moesten worden bekeerd, gedood of verbannen. Er waren echter ook positieve relaties: christelijke geleerden die in de leer gingen bij joodse collega’s om zich te laten onderwijzen in de joodse geschriften, de reformatoren die de Hebreeuwse Bijbel in ere herstelden, christenen die zich opwierpen als verdedigers van de joden. Het drama van de Sjoa en kort daarna de oprichting van de staat Israël, zette velen opnieuw aan het denken over het volk Israël. Men nam afstand van de oude opvattingen dat het Joodse volk voor God had afgedaan door de afwijzing van Jezus. Het was deze ontwikkeling die in 1991 leidde tot het opnemen van de “onopgeefbare verbondenheid” in de Gereformeerde kerkorde, een formulering die in 2002 werd overgenomen in de kerkorde van de PKN.

It takes two to tango

Maar hoe staat het jodendom tegenover die verbondenheid? Offringa schrijft aan het eind van zijn betoog dat het jodendom niet aan “kerktheologie” doet, als equivalent van onze “Israël-theologie”. Daar valt op af te dingen. Er was aanvankelijk geen “kerktheologie”, maar wel een ”volkerentheologie”, op basis van Bijbelse teksten als het visioen van Jesaja. Jesaja 2 schetst hoe de volken optrekken naar de berg van de Heer om zich te laten onderwijzen door Jakobs God.

Maar de sterke groei en macht van het christendom hebben grote joodse denkers als bijvoorbeeld Maimonides (1138-1204) ertoe aangezet om serieus na te denken over een mogelijke rol van het christendom in de heilsgeschiedenis. Hij zag christendom en islam door hun verkondiging van het monotheïsme als wegbereiders voor de komst van de ware Messias. Door de naoorlogse vernieuwing aan christelijke zijde is er aan joodse kant de laatste tijd meer openheid gekomen voor dit inzicht van Maimonides. In toenemende mate ontstaat er een erkenning dat we dezelfde God dienen en groeit de bereidheid om samen op te trekken in de strijd voor een betere wereld. Zo gaven in het jaar 2000 ruim 170 joodse geleerden een manifest uit waarin ze hun gewijzigde visie op het christendom verwoordden. Daarin wordt vertrouwen uitgesproken in de nieuwe, goede intenties van het christendom ten aanzien van het jodendom. Ook wordt gezocht naar mogelijkheden voor een gezamenlijke missie. (zie deze link). Een verklaring van een grote, internationale groep orthodoxe rabbijnen uit 2015 gaat nog een stap verder. Daarin wordt beleden dat de komst van het christendom in de geschiedenis van de mensheid geen ongeluk of fout was, maar een door God gewilde gift aan de volkeren (zie deze link). Niet iedereen stemt in met deze twee verklaringen, maar ze zijn wel een grote keer ten goede in wat eeuwenlang een zeer verstoorde relatie is geweest.

En de politiek dan?

Theologisch kunnen we dus niet om Israël heen zonder de Bijbel groot geweld aan te doen. En het politieke argument dan? Staan de landbelofte in de Tora en de profetische belofte van een terugkeer van de ballingen een rechtvaardige vrede in de weg? Er is geen enkele reden waarom dat zo zou zijn. Niet Gods beloften zijn het probleem, maar het handelen van mensen. Het schrappen van de bijzondere plaats van Israël in de Kerkorde zal dat niet oplossen!