Home/Bijbelblog/Komt reïncarnatie in de Bijbel voor?
Prof.dr. R. Roukema
Onderzoekshoogleraar Vroeg Christendom
En Galaten 6:8 dan?

In Paulus’ brief aan de Galaten 6:8 lijkt te staan: wat een mens zaait, zal hij ook oogsten. Dat is wel zo opgevat, dat wat je in een vorig leven hebt gezaaid, je in een volgend leven zult oogsten. Reïncarnatie dus. Toch wijst niets erop dat Paulus dat bedoelt. Hij schrijft: ‘Wie op (de akker van) zijn vlees (ofwel zondige aard) zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, maar wie (op de akker van) de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten. Het gaat er dus om dat een gelovige leeft uit de Geest van God en zich niet door zijn eigen zondige aard laat leiden.

En Jakobus 3:6?

In de brief van Jakobus 3:6 staat dat de tong van de mens door zijn venijnige woorden het rad der geboorte in vlam zet. De uitdrukking ‘rad der geboorte’ doet denken aan de hindoeïstische en boeddhistische samsara, de bijna eindeloze cyclus van dood en wedergeboorte in opeenvolgende levens. In een oude Griekse mysteriegodsdienst kwam dat beeld ook wel voor. Maar het is uitgesloten dat Jakobus met die uitdrukking de hele gedachte van het rad van reïncarnatie aanduidde en dus accepteerde. ‘Rad der geboorte’ moet worden opgevat als ‘loop van het leven’. De schrijver bedoelde dat de tong met haar felle woorden de hele levensloop van een mens bederft met het vuur van de hel.

16 juni 2016

Komt reïncarnatie in de Bijbel voor?

De vraag of het geloof in reïncarnatie in de Bijbel voorkomt, zal veel Bijbellezers verbazen. “Nooit iets over gelezen”, zullen ze denken. Toch wordt deze vraag door menigeen met ‘Ja’ beantwoord.

Reïncarnatie of zielsverhuizing houdt in dat de ziel van een mens achtereenvolgens verscheidene levens in telkens weer andere lichamen kan leiden. Vóór het huidige leven zou iemand dus al een ander leven geleid kunnen hebben, in een ander lichaam. Zo ook zou iemand na het huidige leven weer een nieuw leven in een ander lichaam kunnen verwachten. De overtuiging dat een menselijke ziel eventueel in een dier kan reïncarneren, bestaat eveneens. De voorstelling van reïncarnatie komt voor in het Hindoeïsme, het Boeddhisme, de filosofieën van Pythagoras, Empedocles en Plato (6de tot 4de eeuw voor Chr.), en in stromingen die door deze Griekse filosofen zijn geïnspireerd. In het Jodendom komt de gedachte van reïncarnatie misschien verhuld voor bij Philo van Alexandrië (1ste eeuw) en duidelijk in de Kabbala (sinds de 10de eeuw). In het Christendom zijn het vooral de gnostici van de eerste eeuwen, de Manicheeën en andere ‘esoterische’ stromingen die van reïncarnatie van de ziel overtuigd waren (of zijn). De bredere kerk, zowel katholiek als later ook protestants, is hierin niet meegegaan.

Hoe kom je erbij?

Ook in de westerse cultuur zijn er velen die uitgaan van reïncarnatie. Deze overtuiging van reïncarnatie kan ontstaan uit een indringende ervaring van herinneringen aan een vorig leven, of uit de visie dat je huidige problemen voortkomen uit onopgeloste zaken of verkeerd gedrag in een vorig leven. Is iemand die dit zo ervaart christen, dan zal hij of zij geneigd zijn in de Bijbel naar een bevestiging hiervan te zoeken. Er zijn enkele teksten die daaraan doen denken.

Elia en Johannes de Doper

In het Oude Testament staat niets wat op reïncarnatie wijst. Hooguit wordt het Oude Testament bij discussies hierover betrokken omdat Jezus meende dat de profeet Elia was teruggekomen. In het Oude Testament zijn 1 Koningen 17 tot 2 Koningen 2 aan het optreden van Elia gewijd. In het laatste hoofdstuk wordt verteld dat Elia in de hemel wordt opgenomen. Dat iemand in de hemel was opgenomen, geloofde men destijds niet van iedere vrome Israëliet; het werd beschouwd als iets heel uitzonderlijks. Veel later schrijft de profeet Maleachi dat God Elia naar Israël zou sturen voordat Gods oordeel over het land zou komen. Elia’s opdracht zou zijn, ouders en kinderen met elkaar te verzoenen en Israel te herstellen (Maleachi 3:23-24 of 4:5-6; Jezus Sirach 48:10). Sindsdien leefde onder de Joden (of ten minste een deel van hen) de verwachting dat Elia uit de hemel zou terugkomen en het land zou voorbereiden op de komst van de Messias. Volgens het evangelie van Matteüs 11:14 en 17:10-13 meende Jezus dat Elia inmiddels gekomen was, namelijk in de persoon van Johannes de Doper.

Al in de tweede eeuw van onze jaartelling heeft de gnosticus Carpocrates van Alexandrië de relatie tussen Elia en Johannes de Doper uitgelegd in de zin van reïncarnatie. Dat is bekend omdat Tertullianus van Carthago omstreeks het jaar 210 Carpocrates’ visie bestrijdt. Hij wijst erop dat volgens het evangelie van Lucas (1:17) Johannes zou optreden ‘in de geest en de kracht van Elia’. Dat duidt volgens Tertullianus niet op zielsverhuizing.            

Enkele decennia later is ook Origenes van Alexandrië ingegaan op die gnostische visie op de verhouding tussen Elia en Johannes de Doper. Net als Tertullianus wijst hij af dat het daar om reïncarnatie zou gaan en beroept hij zich op/ Lucas 1:17. Van de reïncarnatieleer schrijft hij dat die vreemd is aan de kerk van God, niet door de apostelen is overgeleverd en nergens in de Bijbel voorkomt.

Ook in onze tijd wordt Jezus’ uitspraak over Johannes de Doper als de wedergekomen Elia door esoterische gelovigen uitgelegd als een bewijs dat Jezus de reïncarnatie leerde. Toch is dat vergezocht en niet overtuigend. Het gaat bij Elia en Johannes om een specifiek geval: Elia was volgens het Oude Testament bij grote uitzondering in de hemel opgenomen. Daarom meende men dat hij daaruit kon terugkeren, zoals Maleachi had aangekondigd. Eeuwen later werd in de figuur van Johannes de Doper het optreden van Elia herkend. Dat is iets anders dan dat zielen van mensen verscheidene levens hebben.

De blindgeboren bedelaar

Een andere Bijbeltekst die met reïncarnatie in verband wordt gebracht, is een vraag van Jezus’ leerlingen over een bedelaar die blind geboren was. Volgens het evangelie van Johannes 9:2 vragen zij aan Jezus: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ Voorstanders van het geloof in reïncarnatie leggen deze vraag zo uit, dat de man misschien blind geboren was als straf voor zonden die hij in een vorig leven begaan had. Hij zou dan in zijn huidige leven blind geboren zijn om boete te doen voor de zonden van zijn vorige leven. Omdat Jezus’ leerlingen met die mogelijkheid van een vorig leven – en dus van reïncarnatie – lijken rekening te houden, zou dit betekenen dat zij die opvatting kenden, en dat Jezus daarover met hen had gesproken.

Toch gaat het veel te ver in deze vraag een bewijs te zien dat Jezus of zijn leerlingen uitgingen van verschillende levens, zodat je in het ene leven gestraft kunt worden voor de zonden van een vorig leven. Als dat Jezus’ opvatting was, dan had hij dat duidelijk kunnen zeggen, maar in de evangeliën komt zulk onderricht niet voor. In Johannes 9:3 wijst Jezus de twee verklaringen die zijn leerlingen opperen juist resoluut van de hand.

Eventueel kan de vraag van Jezus’ leerlingen in verband gebracht worden met het bestaan van de ziel voorafgaande aan het leven in het lichaam. Dat noemt men pre-existentie. Die opvatting kwam in het Jodendom van Jezus’ tijd her en der voor. Maar ook daarvan geldt dat Jezus zo’n pre-existentie van de menselijke zielen volgens de evangeliën niet heeft onderwezen.

Het is beter de vraag van Jezus’ leerlingen in verband te brengen met latere discussies van joodse rabbijnen. Zij rekenden met de mogelijkheid dat embryo’s in de moederschoot al konden zondigen. Daarvoor verwezen zij naar de tweeling Esau en Jakob, die in de moederschoot al met elkaar botsten (Genesis 25:22-26). Jezus’ leerlingen zouden dan aan zo’n zonde in de moederschoot hebben kunnen denken. Maar nogmaals: Jezus wijst hun mogelijke verklaring af.       

Reïncarnatie uit de Bijbel verwijderd?

Hiermee zijn de pogingen om het geloof in reïncarnatie met Jezus’ onderwijs te verbinden niet uitgeput. Er is namelijk wel verondersteld dat het behoorde tot Jezus’ geheime onderricht, dat niet in de Bijbel staat. De vroege gnostici zouden daarvan dan nog wel geweten hebben, maar de vroege katholieke kerk zou dat element hebben verdonkeremaand. Het is echter veel aannemelijker dat de gnostici het element van reïncarnatie hebben overgenomen uit de Griekse filosofische tradities, waaraan ze wel meer hebben ontleend.

Men meent ook wel dat het onderricht van reïncarnatie aanvankelijk gewoon in de Bijbel heeft gestaan, maar dat de bisschoppen in grote concilies zulke teksten eruit hebben verwijderd. Men denkt dan aan de concilies van Nicea (325) en Constantinopel (553). Dit is echter niet serieus te nemen. In de oude bronnen staan geen aanwijzingen dat dit schrappen ooit heeft plaatsgevonden. Dan zou het in de oude handschriften van de Bijbel sporen hebben moeten nalaten, en dat is niet het geval.

Nog een opvatting: toen de ‘canon’ (samenstelling) van het Nieuwe Testament werd vastgesteld, zijn gnostische boeken waarin reïncarnatie voorkwam hieruit geweerd. Ook dit zou zijn gebeurd in het concilie van Nicea, op aandrang van keizer Constantijn. Daar is tegen in te brengen dat het concilie van Nicea niet over de samenstelling van het Nieuwe Testament ging. Die canon is organisch gegroeid en in de vierde eeuw tot een globale afsluiting gekomen. Nooit hebben gnostische boeken op de nominatie gestaan daarin te worden opgenomen, want daarvoor was hun inhoud te afwijkend.

Het antwoord op de gestelde vraag is dus duidelijk: reïncarnatie komt in de Bijbel niet voor. Mijn ervaring is echter, dat mensen die van reïncarnatie overtuigd zijn, zich door de bovenstaande argumenten niet laten overtuigen. Maar mensen uit hun omgeving, die zich afvragen hoe het zit met die overtuiging van hun geliefde, vriend, vriendin, of familielid, hebben er misschien iets aan.


Riemer Roukema, onderzoekshoogleraar Vroeg Christendom aan de Protestantse Theologische Universiteit, vestiging Groningen

Om verder te lezen

Christa Anbeek e.a., Opstanding of reïncarnatie: Variaties op één thema?, Zoetermeer 1996
Carl A. Keller, ‘Reincarnation I: Antiquity’, in Wouter J. Hanegraaff, Dictionary of Gnosis and Western Esotericism II, Leiden – Boston 2005, 980-984
Reender Kranenborg, Reïncarnatie en christelijk geloof, Kampen 1989
Johann Baptist Metz, Hermann Häring (red.), Reïncarnatie of Opstanding? (Concilium: Internationaal tijdschrift voor theologie), Baarn 1993
Riemer Roukema, ‘Christendom en reïncarnatie in de eerste eeuwen’, in Aart Mak, Otto Sondorp (red.), In ’s hemelsnaam. Dialoog tussen oud en nieuw geloof, Zoetermeer 2003, 110-119; ook op http://riemerroukema.nl/downloads/RiemerRoukema-0152.pdf
Riemer Roukema, ‘Reïncarnatie in de Oude Kerk’, in Gereformeerd Theologisch Tijdschrift 92 (1992), 199-218; 93 (1993), 33-56; ook op http://riemerroukema.nl/downloads/RiemerRoukema-0184.pdf
Sami Yli-Karjanmaa, Reincarnation in Philo of Alexandria, Atlanta 2015
Helmut Zander, Geschichte der Seelenwanderung in Europa. Alternative religiöse Traditionen von der Antike bis heute, Darmstadt 1999
Helmut Zander, ‘Reincarnation II: Renaissance – present’, in Wouter J. Hanegraaff, Dictionary of Gnosis and Western Esotericism II, Leiden – Boston 2005, 984-987

Reageren ?