Home/Vrijheid/Pareltjes: een selectie van de mooiste delen van het traktaat

De Pareltjes: een selectie van de mooiste delen uit het traktaat

Parels uit Luther, Over de vrijheid van een christen, 1520 in de vertaling van Hugo C. van Woerden, te vinden op: www.refo500luther.com  Verwezen wordt naar de secties in de tekst.

Sectie 1:

In de eerste plaats: een christen is in vrijheid heer van alle dingen en niemands onderdaan.
In de tweede plaats: een christen is in dienstbaarheid knecht van alle dingen en ieders onderdaan.

Sectie 3:

Wat helpt het de ziel, als het lichaam vrij van banden, fris en gezond is, eet, drinkt en leeft zoals het graag wil? Omgekeerd, wat schaadt het de ziel als het lichaam gebonden, ziek en vermoeid is, honger, dorst en lijdt met tegenzin? Geen van deze dingen raken de ziel, niet om haar vrij of gebonden, niet om haar goed of slecht te maken.

Sectie 5:

Wij moeten er dus van overtuigd zijn dat de ziel alles kan ontberen, behalve het Woord van God. Buiten het Woord van God is ze nergens mee geholpen. Maar als ze het Woord heeft, dan heeft ze ook niets anders meer nodig. In het Woord heeft ze meer dan genoeg voedsel, vreugde, vrede, licht, kennis, gerechtigheid, waarheid, wijsheid, vrijheid en alle goed in overvloed.

Sectie 5:

En Christus is gekomen om géén ander ambt uit te oefenen, dan om het Woord van God te prediken. Ook zijn alle apostelen, bisschoppen, priesters, ja de hele geestelijke stand uitsluitend omwille van het Woord geroepen een aangesteld – hoewel het er tegenwoordig niet veel op lijkt!

Sectie 6:

Christus prediken is dus: voor de ziel een weide bereiden.

Sectie 9:

Gelooft u, dan hebt u – gelooft u niet, dan hebt u niet. Wat voor u onmogelijk is met alle werken der wet – er zijn er zoveel, maar ze helpen niet – dat wordt gemakkelijk en gaat zonder moeite door het geloof. Dus heb ik alle kort in het geloof samengevat, namelijk: wie het geloof heeft, zal alle dingen hebben en zalig zijn, maar wie het niet heeft, zal niets hebben. Zo geven Gods beloften, wat Zijn geboden eisen, en volbrengen zij wat de wet beveelt, opdat alles alleen een werk van God zal zijn, zowel gebod als vervulling. Hij alleen is het, Die gebiedt, Hij is het ook alleen Die vervult.

Dit is een aaneengesloten passage, maar ook een serie losse pareltjes:

  • Gelooft u, dan hebt u – gelooft u niet, dan hebt u niet.
  •  Wat voor u onmogelijk is met alle werken der wet – er zijn er zoveel, maar ze helpen niet – dat wordt gemakkelijk en gaat zonder moeite door het geloof.
  • Dus heb ik alles kort in het geloof samengevat, namelijk: wie het geloof heeft, zal alle dingen hebben en zalig zijn, maar wie het niet heeft, zal niets hebben.
  • Zo geven Gods beloften, wat Zijn geboden eisen, en volbrengen zij wat de wet beveelt, opdat alles alleen een werk van God zal zijn, zowel gebod als vervulling. Hij alleen is het, Die gebiedt, Hij is het ook alleen Die vervult.

Sectie 10:

Alleen het Woord heeft de kracht om de ziel aan Zich gelijk te maken, zoals ijzer dat in het vuur ligt, roodgloeiend wordt, omdat het zich met het vuur verbindt.

Sectie 11:

Maar als God ziet dat de ziel Hem echt vertrouwt en dus eert door haar geloof, dan eert Hij haar op Zijn beurt ook en houdt ook haar voor rechtvaardig en waarachtig.

Sectie 12:

Niet alleen is de gave van het geloof zo groot dat de ziel aan het Goddelijke Woord gelijk wordt, vervuld van alle genade, vrij en zalig, maar het geloof verenigt de ziel ook met Christus, zoals een bruid één wordt met haar bruidegom. Uit dit huwelijk volgt – zoals Paulus in Efeze 5 vers 30 zegt – Dat Christus en de ziel één lichaam worden: ze leven dan ook in gemeenschap van goederen, in voor- en tegenspoed, in alle dingen. Christus’ bezit wordt zo eigendom van de gelovige ziel, al wat zij bezit, wordt eigendom van Christus. Nu bezit Christus alle goede dingen en de zaligheid – die worden dus nu het eigendom van de ziel. De ziel echter sleept de last van alle zonden en ondeugden met zich mee – die worden nu het eigendom van Christus. Daar begint dus niet alleen een blijde ruil, maar ook de vrolijke strijd en overwinning van het geloof.

(….)

Als Hij de zonden van de gelovige ziel, door haar trouwring – dat is het geloof – als de Zijne op Zich neemt en volkomen doet, alsof Hij die Zelf bedreven heeft, dan moeten die zonden in Hem wel verslonden en verdronken worden.

(…)

Zo wordt de ziel alleen omwille van haar bruidsschat, dat wil zeggen door het geloof, vrij en rein van al haar zonden en met de eeuwige gerechtigheid van haar Bruidegom, Christus, begiftigd.

Sectie 16:

Hieruit blijkt duidelijk, hoe een christen onafhankelijk is van alle dingen en er boven staat. Hij heeft dus geen goede werken nodig om rechtvaardig en zalig te worden. Enkel het geloof schenkt hem dit alles in overvloed. En als hij zo dwaas zou zijn om te proberen door een of ander goed werk rechtvaardig, vrij, zalig of een christen te worden, dan zou hij het geloof en alle dingen er bij verliezen, zoals die hond, die een stuk vlees in de bek had en naar het spiegelbeeld daarvan in het water hapte – hij was vlees én weerspiegeling kwijt.

Sectie 23:

-        Goede en vrome werken maken iemand nooit tot een goed en vroom mens, maar alleen een goed en vroom mens doet goede en vrome werken en

-        Slechte daden maken iemand niet tot een slecht mens, mar wie een slecht mens is, doet slechte dingen.

Sectie 25:

Het is daarom op zichzelf niet verkeerd over berouw, biecht en genoegdoening te schrijven en te prediken, maar als men niet verder gaat en niet tot het geloof komt, zijn dat allemaal zeer beslist duivelse, misleidende leerstukken. Men mag niet bij één woord blijven staan, men moet beide woorden Gods prediken. De geboden moet men prediken om de zondaars af te schrikken en hun wonden aan het licht te brengen, opdat ze berouw gevoelen en zich bekeren. Daar mogen we het echter niet bij laten. Dat zou alleen verwonden zijn en niet helen, slaan en niet genezen, doden en niet opwekken, naar de hel verwijzen en niet terugroepen, vernederen en niet opheffen. We moeten ook het andere woord, de genade belofte, verkondigen, want daarmee prediken we het geloof, zonder hetwelk de wet en het berouw en al die andere dingen waardeloos zijn.

(….)

Berouw vloeit voort uit de geboden, geloof uit de beloften van God, en op deze manier wordt de mens, nadat hij door vrees voor Gods geboden diep neergebogen en tot zelfkennis gekomen is, door het geloof in Gods woorden gerechtvaardigd en weer opgericht.

Sectie 27:

Laat ik tegenover mijn medemens ook een christusmens worden, zoals Christus het voor mij geworden is en niets anders doen, dan wat ik zie dat voor mijn naaste nodig, nuttig en heilzaam is, daar ik immers door mijn geloof van alles genoeg bezit in Christus!

(…..)

De één moet voor de ander in zeker opzicht een Christus worden, zodat wij over en weer elkanders christussen zijn en Christus dezelfde in ons allen.

Sectie 28:

Ja, dat is een mooi voorbeeld voor wat ik bedoel! Christus noemt Zich en de Zijnen vrije koningskinderen, die niets verplicht zijn, maar evenwel onderwerpt Hij Zich gewillig, Hij dient en betaalt belasting!

Sectie 29:

Daarom geef ik u een goede raad: ben u van plan een gift aan de kerk te geven, gebeden te doen of te vasten? Doe het dan niet met de gedachte dat u daarmee voor uzelf iets bereikt, maar doe het in vrijheid en belangeloos.

Sectie 30:

Van alles wat we geschreven hebben is dit de slotsom: dat een christen niet in zichzelf leeft, maar in Christus en in zijn naaste. In Christus leeft hij door het geloof, in de naaste door de liefde. Door het geloof stijgt hij boven zichzelf uit in God, maar uit God daalt hij weer af, beneden zichzelf door de liefde.