Home/Bijbelblog/Psalm 90 bij Oud en Nieuw
Dr. M.C.A. Korpel
Universitair Hoofddocent Oude Testament
3 januari 2017

Psalm 90 bij Oud en Nieuw

Gebed van Mozes?

Het opschrift van de Psalm wijst Mozes aan als de auteur van dit gebed. Het is de enige keer dat een Psalm aan Mozes wordt toegeschreven. Het is wel zeker dat de opschriften van veel Psalmen van latere datum zijn en de meeste uitleggers vinden het  dan ook onwaarschijnlijk dat Mozes dit lied gedicht zou hebben. Toch is het niet ondenkbaar dat een voorvorm van Psalm 90 op Mozes teruggaat. De tijd waarin hij leefde werd gekenmerkt door een wereldwijd negatief gevoel. Verbitterd stelde men vast dat de goden het eeuwige leven voor zichzelf hadden gehouden, en de mens vroegtijdig lieten sterven. Een Babylonische tekst uit die tijd zegt:

            Toen de goden de mensheid schiepen,
               stelden ze voor de mensheid de dood vast,
                  het leven hielden ze voor zichzelf.

Twee hymnes voor de Egyptische hoofdgod Amun-Re laten overeenkomst zien met Psalm 90:4 ("Duizend jaar zijn in uw ogen als de dag van gisteren die voorbij is"):

            Iedere dag is een ogenblik bij u.

en:       Hij overziet de toekomst over miljoenen jaren,
            is eeuwig in zijn visie.

Men heeft verder al vroeg gewezen op overeenkomsten tussen Psalm 90 en andere liederen die aan Mozes worden toegeschreven: Exodus 32; Deuteronomium 32 en 33. De nauwelijks verhulde verwijten aan God in het eerste deel van de Psalm herinneren aan klachten van Mozes, bijv. Numeri 11:11-15. Toch helpen zulke overeenkomsten niet veel verder. Psalm 90 kan immers ook best later opgeschreven zijn met gebruikmaking van andere tradities over Mozes.

Oudejaarspsalm

Psalm 90 wordt ook wel de Oudejaarspsalm genoemd. Vroeger werd deze Psalm in veel huisgezinnen kort voor de klok van twaalf op Oudejaarsavond voorgelezen en in sommige kringen is dat nog steeds gebruikelijk. Menigeen zal het daarmee wel eens moeilijk gehad hebben. Het is namelijk zo’n sombere, bijna pessimistische Psalm. De afstand tussen God en mens lijkt onoverbrugbaar. God leeft "van eeuwigheid tot eeuwigheid" (vers 2), bij hem zijn duizend jaar slechts een voorbijschietend moment (vers 4). De mens moet het doen met 70-80 jaar, en het beste daarvan – de dingen waar we als mens trots op zouden moeten kunnen zijn – is niets anders dan het tegendeel: namelijk moeite en leed (verzen 3, 5-6, 10). Als dat het beste is, wat moet de rest van een mensenleven dan wel niet wezen?            God heeft de mens geschapen uit stof (vers 3, vergelijk Genesis 2:7), maar hij beveelt zijn schepsel tenslotte terug te keren tot datzelfde stof: "Keer terug, mensenkind" (vers 3). Klinkt dat niet nogal wreed? De dichter ervaart dat ook zo in vers 7-9:

            Wij komen om door uw toorn,
              door uw woede bezwijken wij.
           U hebt onze zonden vóór u geleid,
              onze geheimen onthuld in het licht van uw gelaat.
           Al onze dagen gaan heen door uw woede,
              wij beëindigen onze jaren in een zucht.

Gaat het hier om "geheime" zonden, die wij voor God en onze medemensen verborgen wilden houden? Waarschijnlijk niet. Net als in Psalm 19:13 gaat het om zonden waarvan de bidder zich niet bewust is, die voor hemzelf verborgen zijn. Dat maakt de woede van God des te onbegrijpelijker, want in hoeveel opzichten kan het niet gebeuren dat een mens onbewust de fout ingaat?

Wederkerigheid

Maar zo eenzijdig negatief mag de Psalm ook niet gelezen worden. De eerste regel begint al positief:

            Heer, u bent ons een toevlucht geweest
              van geslacht tot geslacht

Wat letterlijker vertaald: "U bent ons een schuilplaats geweest". 

Bij God mogen we als mensen al vanaf het begin van de schepping schuilen, ook als we in doodsnood verkeren. Daaraan ontleent de dichter de moed om tegenover dat harde "Keer terug, mensenkind" (vers 3) keihard te stellen "Keer zelf terug, HEER" (vers 13). Net zo "brutaal" als Mozes soms in de woestijn tegen God sprak.

Dat tweemaal gebruikte werkwoord "terugkeren" komt vaker voor als het over de verhouding tussen God en zijn volk gaat. Telkens is het dan de mens die de eerste stap terug moet zetten (Zacharia 1:3; Maleachi 3:7; 2 Kronieken 30:6). Eerst moet het besef groeien dat de mens op aarde is als "dienaar" van God (verzen 13, 16: "uw dienaren"). Dat is terminologie van het verbond, net als "onze God" (vers 17) en "uw liefde" (vers 14, beter te vertalen als "uw verbondstrouw"). Op grond van dat verbond mag de mens verwachten dat God het niet zal laten bij dat schijnbaar onverbiddelijke "Keer terug, mensenkind". 

Creatief bezig zijn

Daarmee krijgt dat korte sterflijke leven van de mens ook zin. Het werk van onze handen moet "bevestigd worden" (vers 17). Het werkwoord dat hier in het Hebreeuws gebruikt wordt beschrijft elders in het Oude Testament en ook in de oude Kanaänitische stad Ugarit de scheppingsdaad, waarbij we moeten bedenken dat men geloofde in scheppen als een voortgaande activiteit.

Zo blijken begin en einde van Ps. 90 alles met elkaar te maken te hebben. De eerste en de laatste strofe (de verzen 1-2 en 17) gaan allebei over het scheppingswerk van God. Is het korte menselijke bestaan zinloos? Nee, zegt Psalm 90 uiteindelijk, niet wanneer je beseft dat ons kleine mensenwerk nog steeds opgenomen wordt in Gods grote scheppingswerk.

Belangrijk is daarbij ook te letten op de echo-werking tussen "van geslacht tot geslacht" (vers 1) en "hun kinderen" (vers 16). Het moge waar zijn dat wij zelf vaak de zin van ons leven maar moeilijk kunnen ontdekken, maar het is dan goed te bedenken dat God over de eeuwen heen kijkt. Wat nu wellicht zonder betekenis lijkt, kan passen in een groter heilsplan dat talloze volgende generaties omspant.

Oud en nieuw

Het lijkt zo onlogisch dat deze Psalm begint met een vertrouwensuitspraak: "Heer, u bent ons een schuilplaats geweest", om vervolgens direct over te gaan op een klacht – aanklacht eigenlijk. Natuurlijk is "schuilplaats" beeldspraak, een beeld dat associaties van beschutting en veiligheid oproept. Maar wat bedoelt de dichter er eigenlijk mee? Het slot, vers 17 maakt dat duidelijk, al is dat in de Nieuwe Bijbelvertaling niet meer te zien. Er staat: "Laat de lieflijkheid van de Heer onze God over ons heen zijn" (vergelijk ook Psalm 33:22). Het woord dat hier staat is verwant aan de naam Noömi, de lieflijke. Wij wonen als het ware in Gods lieflijkheid. Als een beschermende koepel staat die over ons mensenleven heen. De ongenaakbaarheid van de eeuwige Schepper, en de woede van een God die ons zelfs kwaad aanrekent waarvan wij ons niet eens bewust zijn, dat zijn niet de belangrijkste eigenschappen van onze God. Het belangrijkste is juist zijn lieflijkheid.

Psalm 90:4 spreekt over een totaal ander tijdsbegrip bij God. De schrijver van de tweede Petrusbrief heeft gelijk als hij dat juist positief uitlegt als Gods geduld met ons (2 Petrus 3:8-9):

            Eén ding mag u niet over het hoofd zien, geliefde broeders en zusters: voor de heer is één dag als duizend jaar en duizend jaar als één dag. De Heer is niet traag met het nakomen van zijn belofte, zoals sommigen menen; hij heeft alleen maar geduld met u, omdat hij wil dat iedereen tot inkeer komt en niemand verloren gaat.

Psalm 90 gaat over heden, verleden en toekomst. Wat dat betreft is het zeker verantwoord om bij de jaarwisseling terug te grijpen op Psalm 90.

Het aardige is dat wij tegenwoordig beschikken over een extra aanwijzing uit de eerder genoemde oude Kanaänitische stad Ugarit (13de eeuw v.Chr.). In een door de koning uitgesproken nieuwjaarsgebed wordt daar gevraagd om het "lieflijkste van Gods jaren" (vergelijk Lucas 4:19). Psalm 90 staat dus in een zeer lange traditie!

Lang geleden besloot Professor J.J.P. Valeton een beschouwing over Psalm 90 met deze mooie woorden:

            Als men de zekerheid maar heeft, niet tevergeefs te hebben geleefd. En hoe zou men dat, als God zijn licht over het leven heeft doen schijnen, en zijn liefelijkheid er over heen gegaan is. Ook het eindige ontvangt dan den stempel der eeuwigheid.

Reageren ?