Home/Bijbelblog/Wat doet Jezus met de Tora?
Verder lezen

Hans Dieter Betz, The Sermon on the Mount. A Commentary on the Sermon on the Mount, including the Sermon on the Plain (Matthew 5:3-7:27 and Luke 6:20-49, Minneapolis 1995, vooral pp. 215-230.

Joop Smit, Het verhaal van Matteüs. Sleutelpassages uit zijn evangelie, Zoetermeer 2007, vooral pp. 52-62.

12 oktober 2017

Wat doet Jezus met de Tora?

De zogenaamde Bergrede van Jezus is één van de bekendste stukken van de Bijbel. Het gaat om een toespraak van drie hoofdstukken in het Evangelie van Mattheüs. Velen voelen zich erdoor geïnspireerd. Maar het is ook een gedeelte dat de nodige vraagtekens oproept. En dan hebben we het nog niet eens over de verschillende problemen van interpretatie en vertaling.

Eén van de dingen die Jezus doet in deze toespraak, is ingaan op de Tien Geboden en de daaruit voortvloeiende regels zoals ze werden toegepast in zijn tijd. Hij begint met het bekende verbod op moord:

Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” En ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen “Nietsnut!” zegt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan. (Matt. 5: 21-22; NBV)

Moord is in vrijwel alle culturen ter wereld verboden - tenminste als het slachtoffer iemand van de eigen clan of stam is. Iets van deze ‘eigen volk eerst’-toepassing schemert nog altijd door in het moderne gebruik dat je voor een moord (of ander misdrijf) wordt berecht in en door het land waar de daad is gepleegd. Vanaf het begin is er dus discussie: wat is een moord, en hoe moet die worden bestraft? Beide vragen hangen nauw samen, want om iemand te straffen moet je eerst hebben vastgesteld dat hij (m/v) ook schuldig is.

Naar zo’n toepassing verwijst Jezus: moord is verboden, en in het geval van overtreding is er rechtspraak die vaststelt of iemand schuldig is of niet, en zo ja waaraan, en ten slotte welke straf er wordt opgelegd.

Wat doet Jezus nu? Hij gebruikt de stijl van het Wetboek van Strafrecht: bij de ene overtreding hoort deze straf, bij de andere die. Maar van moord en doodslag maakt hij de overstap naar woede. Woede blijkt bij hem strafbaar, en hij brengt een gradatie aan tussen kwaad worden, uitschelden voor nietsnut, en uitschelden voor dwaas. De strafmaat blijkt snel op te lopen. Gewone boosheid blijkt goed voor een rechtszaak, gebruik je scheldwoorden, dan beland je bij het Sanhedrin oftewel de Hoge Raad, en je hoeft je maar een keer flink te laten gaan, en de Gehenna, oftewel het hellevuur is je deel ...

Emotie

De missing link is hier de gedachte dat moord en doodslag hun oorsprong hebben in emoties, in het bijzonder die van drift en boosheid. Jezus verlegt de aandacht dus van de gevolgen naar de oorzaak. Overigens was dat niet revolutionair: er zijn tal van Joodse bronnen die het verbod op moord verbinden met de emotie van woede. Het verhaal van Kaïn en Abel in Genesis 4 geldt dan als vroegste voorbeeld. Immers, Kaïn wordt kwaad op zijn broer, omdat God diens offer aanneemt en het zijne niet. Zo zijn moord en doodslag in de wereld gekomen: door jaloezie en boosheid ...

Spannender is de vraag wat hier precies de verhouding is tussen oud (‘Jullie hebben gehoord ...’ en nieuw (‘En ik zeg zelfs ...’). Worden de regels van de Tora hier losgelaten, en vervangen door iets anders? De afschaffing van het wetboek en de invoering van het principe van de geweldloosheid? Niet voor niets zegt Jezus verderop (Matt. 5: 39) ook iets over een linker- en een rechterwang - of niet?

Of is het niet een vervanging maar een aanvulling, om niet te zeggen een vervulling? Zo van: natuurlijk moeten moord en doodslag op een passende wijze worden berecht, maar waar het eigenlijk om gaat is dat je leert je emoties in toom te houden! Dat klopt in ieder geval met eerdere uitspraken in de Bergrede dat de wet zeker niet zal worden afgeschaft (Matt. 5: 17-19). Misschien is het ook wat de NBV wil uitdrukken door in het citaat voor ‘zelfs’ te kiezen, in plaats van het ‘maar’ (bijv. NGB’51: ‘Maar Ik zeg u ...’).

Toch vind je dat ‘maar’ in bijna alle vertalingen. Hoe je het ook wendt of keert: hier wordt een tegenstelling gepresenteerd. Maar die tegenstelling zit niet tussen een oud en een nieuw gebod, maar tussen een oude toepassing en een nieuwe. Moorden mag niet, want het is een uitdrukking van woede en drift. Daarom moet je niet alleen het moorden aanpakken, maar ook de drift.

Absurd

Vaak lopen mensen hier vast. Bedoelt Jezus dan werkelijk dat een scheldwoord net zo zwaar gestraft moet worden als een moord, of zelfs zwaarder? En dat dat ook de richtlijn is voor de strafmaat bij het laatste oordeel? Als je de tekst letterlijk wilt opvatten, en je hoort Jezus zeggen dat iedereen die een ander wel eens voor ‘dwaas’ heeft uitgemaakt, in de hel thuishoort, dan zou het wel eens niet erg druk kunnen zijn in de hemel.

Maar je wint weinig door de tekst dan maar ‘figuurlijk’ te noemen. Hier is helemaal geen beeldspraak aan de orde. Wat zou er dan met het ‘beeld’ aangeduid moeten worden? Wat er in de praktijk gebeurt, is dat lezers en hoorders de tekst hier als het ware afzwakken. Natuurlijk kan het niet de bedoeling zijn dat iedereen die wel eens iemand heeft uitgescholden in het hellevuur belandt. Wat is dan de bedoeling? Nou, dat je probeert je emoties een beetje in de hand te houden. Maar als je op deze manier de tekst van zijn scherpe kanten ontdoet, wat voegt de tekst dan nog toe aan wat we al wisten?

Volgens mij hebben we hier niet te maken met een dilemma van ‘letterlijk’ of ‘vrij’ lezen, maar met heel iets anders, namelijk de stijlfiguur van het absurde: als je het echte probleem van moord en doodslag wilt aanpakken door middel van een juridische regeling, kom je tot absurde maatregelen - en dat betekent dus, dat die aanpak niet de juiste is.

De wet blijft dus gehandhaafd. Ook de juridische toepassing wordt intact gelaten. Waar Jezus tegen ingaat, is het idee dat je de wet vervult als je hem uitsluitend op de afgesproken juridische wijze toepast. Dat idee leidt ertoe, dat mensen aan het echte probleem, waarvoor de wet is ingesteld, voorbijgaan.

Ik vergelijk dit graag met het huidige gebruik van protocollen. Of het nu gaat om verkeersveiligheid, procedures in de zorg, of communicatie: protocollen hebben een zeker nut, net als checklistjes en steekproeven. Maar ze geven geen veiligheid, ze zijn geen garantie tegen fouten, ze kunnen het echte gesprek niet vervangen. Wie bij het behandelen van een klacht of het oplossen van een moeilijkheid alleen nagaat of de protocollen zijn gevolgd, of bij wijze van oplossing met nieuwe of andere protocollen komt, lost geen problemen op maar bouwt voort aan een doodlopend wegennet. Ik vind het geniale van de Bergrede, dat de tekst ons dit in slechts twee verzen laat zien.

Reageren ?