Home/Bijbelblog/Mogen kinderen van jihadstrijders terugkeren?
Auteur

Robert Hoogenboom volgt de predikantsmaster aan de PThU en bevindt zich in de eerste fase. Dit blog is gebaseerd op zijn eindwerkstuk over Ezechiël 18 voor het vak “Exegese Oude Testament: De boodschap van de profeten”.

Illustratie: NBG / Bart den Heeten

2 augustus 2018

Mogen kinderen van jihadstrijders terugkeren?

In 2014 roept de terreurgroep Islamitische Staat het kalifaat uit. Moslimfundamentalisten in Syrië en Irak trekken ten strijde om een jihad, een heilige oorlog, te voeren. Ook vanuit Nederland vertrekken jihadisten naar Syrië en Irak. Sommigen nemen vrouwen en krijgen kinderen.

Drie jaar later komt er echter een einde aan het kalifaat. De jihadisten en hun vrouwen en kinderen blijven achter in mensonwaardige omstandigheden. Ze hebben amper voedsel en kleding. Moeten die kinderen terug naar Nederland worden gehaald? D66 en ChristenUnie vinden van wel. De VVD vindt van niet. Wat zou de profeet Ezechiël ervan vinden?

Boeten voor een ander?

De profeet Ezechiël is in Babel. Hij is daar met zijn Joodse volksgenoten. Ze zijn ver van hun eigen stad Jeruzalem vandaan. Hun voorouders hadden keer op keer de geboden van de God van Israël overtreden. Ze dienden andere goden en gingen niet goed om met hun naasten. Profeten hadden hen steeds weer gewaarschuwd, maar uiteindelijk was de straf van God gekomen. De Babyloniërs hadden de Joden weggevoerd naar Babel. 

Nu zitten ze daar aan de rivieren van Babel (Psalm 137). Ze klagen. Wat kunnen zij eraan doen dat ze ver van huis en haard verdreven zijn? Moeten zij boeten voor de zonden van hun ouders? De Israëlieten hebben daar een eigen spreekwoord voor: “Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden” (Ezechiël 18:2).

Dit spreekwoord komt niet zomaar uit de lucht vallen. In het derde gebod van de Tien Geboden zegt God immers: “voor de schuld van ouders laat ik de kinderen boeten … wanneer zij mij haten” (Exodus 20:5). De profeet legt zich daar echter niet bij neer. In het achttiende hoofdstuk van het boek Ezechiël lezen we dat hij het debat met hen aangaat. Dat spreekwoord over de onrijpe druiven mogen ze niet meer gebruiken. Ieder mens is verantwoordelijk voor zijn eigen daden en moet zijn eigen schuld dragen!

Zo vader, zo zoon?

Eerst schetst de profeet Ezechiël drie generaties: een man, zijn zoon en zijn kleinzoon. De eerste wordt aangeduid als een rechtvaardige. Hij laat niet alleen de verkeerde dingen na. Wat vooral opvalt is dat hij het goede doet. Dat uit zich in het dienen van God en het zuiver omgaan met zijn eigen vrouw. In het zakenleven handelt hij eerlijk. Ook gaat hij sociaal om met mensen in moeilijkheden: hij voorziet hen van voedsel en kleding. Dit is precies zoals God het bedoeld heeft.

En de zoon? De zoon doet alles wat God verboden heeft. Hij rooft en hij moordt. Vergrijpt zich aan vrouwen. Als bij een jihadist kleeft er bloed aan zijn handen. Hij wordt aangeduid als een gewelddadig persoon, een moordenaar. Op hem rust een bloedschuld. Hij roept de dood over zich af.

En de kleinzoon? De kleinzoon gaat niet in het spoor van zijn vader. Hij is als zijn opa. Hij houdt zich aan Gods geboden en doet wat goed is in Gods ogen. Hij heeft recht op het leven en hij hoeft niet te boeten voor de zonden van zijn vader. Zo wordt een patroon doorbroken. 

Verandering van soort

Vervolgens schetst de profeet Ezechiël twee soorten mensen. Er is het type zoals de zoon: mensen die zich storen aan God noch gebod, oftewel ‘god-lozen’. Als zij zo blijven hebben ze geen toekomst. Daarnaast is er het type zoals de opa en de kleinzoon: als ze als rechtvaardigen leven ligt de toekomst voor hen open. Voorwaarde is wel dat zij niet van soort veranderen en niet gaan handelen als de god-lozen.

Ook de god-lozen kunnen veranderen van soort. Als zij zich naar God en zijn gebod toekeren kunnen ze rekenen op vergeving. Zo is de God van Israël. Zo gaat ook het derde gebod verder: “maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde” (Exodus 20:6). Dat is ook Gods diepste wens: dat een mens tot inkeer komt en breekt met zijn zondige leven (Ezechiël 18:31-32).

Terugkeer?

Van Ezechiël keren we terug naar de kinderen van de jihadisten. Mogen zij terugkeren naar Nederland? De profeet Ezechiël is er duidelijk over dat de kinderen niet hoeven te boeten voor de wandaden van hun ouders. Ieder mens en dus ook ieder kind moet beoordeeld worden op basis van zijn eigen daden. Ook het voeden van hongerigen en het kleden van ‘naakten’ beschouwt de profeet Ezechiël als een sociale verplichting. Moeten we ons dus ontfermen over de kinderen van de jihadstrijders en hen dus laten terugkeren?

Het terughalen van de kinderen is niet zonder gevaar. Ze zitten in een oorlogsgebied en het is de vraag of de ouders willen dat zij teruggaan. Ook kunnen de kinderen een gevaar opleveren voor de Nederlandse samenleving. Volgens berichtgeving zijn ze namelijk gehersenspoeld met het gedachtengoed van de jihadisten. Als de profeet Ezechiël deze risico’s zou kennen, zouden de kinderen van jihadstrijders dan van hem mogen terugkeren?

Tja, wat zou Ezechiël ervan vinden? Jammer dat we het niet meer aan de profeet zelf kunnen vragen…