Home/Bijbelblog/Waarom al die aandacht voor huidziekten in de Bijbel?
Auteurs

Dit blog is geschreven door dr. Lieve Teugels, docent aan de PThU en rabbijn Corrie Zeidler, rabbijn van de Liberale Joodse Gemeente van Brabant in Tilburg.

Verder lezen

Dorothea Erbele-Kuester, “She Shall Remain in (Accordance to) Her Blood-of-Purification”: Ritual Dynamics of Defilement and Purification in Leviticus 12, in Henrietta L. Wiley and Christian A. Eberhart (red.),Sacrifice, Cult, and Atonement in Early Judaism and Christianity: Constituents and Critique,

SBL Press, Atlanta (GA), 2017, 59-70.

19 juli 2018

Waarom al die aandacht voor huidziekten in de Bijbel?

In de synagoge wordt de Tora, de eerste vijf boeken van de Tora, volgens een jaarlijkse cyclus helemaal gelezen. Met dat doel is zij verdeeld in lees-eenheden, parasjot (enkelvoud: parasja) genoemd. De parasjot Tazria  (Leviticus 12-13) en Metsora (Leviticus 14-15) worden meestal samen gelezen. Deze parasjot gaan over zaken waar we het liever niet over hebben, rituele verontreinigingen door lichaamsvochten, vrouwelijke bloedingen en mannelijk zaad, huidaandoeningen en schimmels op voorwerpen en muren. Hier zijn een paar voorbeelden.

13:2 Als iemand een zwelling, uitslag of een lichte plek op zijn huid heeft die aan huidvraat doet denken, moet hij naar de priester worden gebracht, naar Aäron of een van diens nakomelingen.

13:47 Als er plekken op wollen of linnen stof verschijnen, 48 of op ketting- of inslaggaren van linnen​ of wol, of op leer of op iets dat van leer gemaakt is, 49 en die plekken op de stof, het leer of het garen of het leren voorwerp zijn groen- of roodachtig, zou het desbetreffende voorwerp aangetast kunnen zijn door ​vraat​ en moet het aan de ​priester​ worden getoond.

14:34 Wanneer jullie eenmaal in Kanaän zijn, het land dat ik jullie in bezit zal geven, en ik daar een huis door vraat laat aantasten, 35 moet de eigenaar bij de priester melden dat zijn huis is aangetast. 36 De priester moet het huis laten ontruimen voordat hij het verschijnsel komt onderzoeken; zo voorkomt hij dat alles wat zich in het ​huis bevindt ​onrein verklaard moet worden. Vervolgens komt de ​priester het aangetaste ​huis onderzoeken.

Wat die aandoeningen precies zijn weet niemand. Hoe kunnen een mens, een kledingstuk en een huis dezelfde aandoening hebben? In de oudere vertalingen werden deze aandoeningen met verschillende woorden aangeduid, meestal ‘melaatsheid’ voor de huidaandoening en ‘aangetaste plek’ voor de uitslag op voorwerpen. De vertalers van de NBV, waaruit bovenstaande vertaling komt, hebben daarom het nieuwe woord ‘vraat’ verzonnen. Het biedt hier een uitkomst, omdat het niet beperkt is tot de menselijke aandoeningen.

Inmiddels weten we dat de desbetreffende huidaandoening geen melaatsheid kan zijn. Melaatsheid kwam in de Bijbelse tijd immers niet voor in Israël, en je kunt er ook niet van genezen.

Maar waarom besteedt de Tora vier hele hoofdstukken aan deze aandoeningen? En waarom is er een kohen, een priester, nodig om de diagnose te stellen en om te bepalen wanneer de persoon of het voorwerp weer rein is? 

De wetenschappelijke uitleg

Zowel het wetenschappelijke onderzoek naar de bijbel als de traditionele Joodse lijn van interpretatie besteden hier veel aandacht aan. Binnen de wetenschappelijke benadering zijn er veel stromingen. Een daarvan wordt vertegenwoordigd door oud  PThU-docente Dorothea Erbele Kuester. Zij wijst op een driehoeksverband tussen degene die het offer brengt (in dit geval de zieke of eigenaar van het ‘zieke’ voorwerp), het altaar (God) en de priester. Degene met de aandoening aan zijn lichaam of zijn bezit bevindt zich in een staat van cultische onreinheid. Erbele-Kuester richt zich vooral op de nabloedingen van pas bevallen vrouwen, die in Leviticus 12 worden beschreven. De implicaties hiervan zijn identiek aan die van de huidaandoeningen en de lichaamsvochten, vandaar dat ze ook in dezelfde parasja zijn opgenomen. De bloeding wil niet zeggen dat de vrouw vies is of besmettelijk, daar heeft het niets mee te maken, maar wel dat iemand in deze toestand tijdelijk niet in de buurt van het altaar (=God) mag komen. Zoals Erbele-Kuester schrijft: “De dynamiek van het reinigingsritueel ligt in de verwevenheid van het fysieke en het cultische proces in tijd en ruimte” (zie zijpaneel voor verwijzingen) Zowel de ‘aangedane’, die offert, als de priester spelen hier een rol. Waarom men precies dacht dat deze aandoeningen of bloedingen iemand verwijderen van God is een ander verhaal, dat ongetwijfeld te maken heeft met de toenmalige voorstellingen van waar bloedingen en aandoeningen vandaan komen. Het feit dat voor de bevallen vrouw, of de man met een zaadlozing – waarvan men weet dat ze niet ziek zijn – dezelfde regels gelden als voor iemand of iets met een ‘vlekje’ leert ons wel dat deze laatste aandoeningen niet noodzakelijk als besmettelijke ziekten werden gezien. Tot zover de wetenschappelijke uitleg.

De traditionele Joodse uitleg

De traditionele Joodse geleerden (en ook wel bepaalde christelijke denkers) benaderen het iets anders. Ze verklaarden de ziektes als een lichamelijke uiting van een ethisch probleem. Vandaar dat de priester erbij werd gehaald, en niet een dokter. Tsara’at (‘vraat’), wordt beschouwd als een gevolg van kwaadspreken. Naar goed rabbijns gebruik wordt dit ook verklaard op basis van de tekst, door middel van de techniek ‘notarikon’. Hierbij worden de letters van een Hebreeuws woord gelezen als de beginletters van nieuwe woorden: degene die aan tsara’at lijdt, heet metsora, en dat is volgens de uitleg van de Rabbijnen, een afkorting van motsie lasjon ra, letterlijk ‘iemand die kwade taal uitbrengt’’. Roddelen, kwaadspreken, is als een ziekte die zich enorm snel verspreidt en waarover we geen controle hebben – je weet nooit hoever het komt, het gaat een eigen leven leiden. We kunnen het ook nooit helemaal terugnemen, ongedaan maken. Daarom lezen we ook in Spreuken 18:21: ‘Dood en leven zijn in de macht van de tong’. Met woorden kun je net zo goed doden als met een kogel.  

Juist vanwege de besmettelijkheid, moet diegene met tsara’at, zo’n huidziekte, en in analogie dus ook diegene die kwaadspreekt, die roddelt, uit de groep worden gehaald, afgezonderd worden, en een reinigingsproces ondergaan voordat hij of zij weer onder de mensen kan komen. Daarom is de priester nodig om dit reinigingsproces te controleren, of er echt inkeer gedaan is, of de persoon heeft begrepen wat hij of zij heeft aangericht en er spijt van heeft.

Wat kunnen we daar mee?

Volgens de Joodse uitleg leert de Tora ons dus hoe belangrijk het is om een gemeenschap te creëren waar geen metsora is, waar niet geroddeld wordt of kwaadgesproken, waarin we rein zijn en niemand hoeven buiten te sluiten. Op zich kunnen we daar in het dagelijkse leven meer mee dan met de wetenschap dat degene met ‘vraat’ volgens de Bijbelse voorstelling cultisch onrein is en dat met een offer en voldoende tijd weer kan herstellen. Daarom is het goed dat bijbelwetenschappers af en toe uit de ivoren toren van de wetenschap treden en eens gaan kijken bij alternatieve interpretaties.