Home/Bijbelblog/Afschaffen, die preek?
Dr. F. Stark
Directeur Onderwijs / universitair hoofddocent Praktische Theologie
Dr. Bert de Leede
Voormalig rector van het Theologisch Seminarium Hydepark en emeritus universitair docent en onderzoeker aan de PThU.
2 februari 2017

Afschaffen, die preek?

Dit blog is een preview van het boek ‘Ontvouwen – Protestantse Prediking in de Praktijk’ door Ciska Stark en Bert de Leede dat 3 februari op de PreekWijzer-studiemiddag gepresenteerd zal worden.

Hier doen we het voor

Wie op zondagmorgen naar de kerk gaat, hoopt dat daar iets gebeurt. Gaat iemand elke zondag, dan is hij zich dat wellicht niet altijd bewust. Hij weet hoe de dingen gaan, en hij voegt zich daar soepel in. Tot het moment dat iets hem raakt. Dat kan een lied zijn, of een passage uit een gebed. Maar bij de preek hoopt hij er zeker op. En gebeurt het, dan weet hij: hier kom ik voor. Dat er iets gebeurt aan mij, in mij. En dat ‘iets’ heeft met God te maken. Én het heeft te maken met wie er voorgaat, zo veel is hem als ervaren kerkganger na al die jaren wel duidelijk.

Wanneer de voorganger op zondagmorgen naar de kerk gaat om de dienst te leiden, hoopt zij dat er iets zal gebeuren, wanneer zij voorgaat. De liturgie is doorgesproken met de organist, de muziekgroep of de cantorij, de gebedspunten zijn overdacht, de preek is klaar, daar heeft zij hard aan gewerkt. Maar – zal het de gemeente aanspreken? Dat heeft zij niet in de hand. Dat weet zij. Of er iets gebeurt, dat blijft ongrijpbaar. Iets dat van die andere zijde komt. Soms krijgt zij na de dienst terug, dat hoorders geraakt werden tijdens de preek. Of soms vertelt iemand dat dat kwam door een lied of een gebed. Op zulke zondagen weet zij: hier doe ik het voor.

Dat ‘iets’ heeft met God te maken, met Christus en de Geest. Én met haar, zo weet zij als ervaren voorganger heel goed. Kwam zij er die morgen goed in of bleven het voor haar gevoel woorden, woorden, woorden? Wie van de drie vaste organisten dienst heeft maakt trouwens ook veel uit bij er wat gebeurt. Maar het eigenlijke heb je niet in de hand.

Leren luisteren

Preken veronderstelt dat predikanten wat te zeggen hebben. Wie niets te zeggen heeft, moet niet het woord nemen. Dat geldt in de algemeen menselijke omgang. Dat geldt dus ook bij de preek. Alleen komt daar iets anders bij, een andere dimensie. Bij preken geldt: wie niet iets gehoord heeft, moet niet gaan preken. Hij heeft dan niets te zeggen. Wij verkondigen “wat wij gezien en gehoord hebben” van het Woord des levens (I Johannes 1,3). Een prediker is van God geleerd. En om van God geleerd te zijn, moet hij Schrift-geleerd zijn. Want hoe zouden we iets van God weten, wanneer we niet in staat zijn het te toetsen aan de Schrift? Wie niet God-geleerd en Schrift-geleerd is, moet niet gaan preken.

Concreet betekent dit dat het homiletisch ambacht alleen kan worden geleerd op basis van een grondige kennis van de bijbelvakken, een brede kennis van de bijbelse theologie en een systematisch-theologische scholing. En deze drie in samenhang.

We gebruiken bewust verschillende bewoordingen. Op wetenschappelijk niveau kunnen omgaan met teksten vraagt kennis van en vaardigheid in het omgaan met resultaten van bijbelonderzoek, exegetische methoden en de werking van literaire teksten. Om de Schrift te lezen en te verstaan met het oog op de dienst van het Woord in de kerk, met andere woorden: met het oog op de homiletische of theologische exegese, is een brede kennis van de bijbelse theologie, van bijbelse theologieën (mv), nodig.

Een systematisch-theologische scholing beoogt de bekwaamheid van de prediker te versterken om dieptepeilingen te verrichten bij de omgang met de tekst. Die scholing in de geschiedenis van het dogma is voorwaarde voor diepgang van de preek. Wie luistert in gemeenschap met het belijden van de kerk van alle tijden en plaatsen, hoort nu eenmaal meer dan wie een laatste mode volgt of volgens één vast dogmatisch patroon door de Bijbel loopt. Wie systematisch-theologisch geschoold is, zit nooit vast in één patroon én gaat nooit over één nacht ijs.

Leren waarnemen

Bij het voorgaande gaat het dus om wat van Godswege tot ons komt: de tekst, de Schrift, het belijden van de kerk, het dogma. Er is ook die andere kant: de werkelijkheid waarin voorgangers spreken en preken en waar de hoorders in verkeren. In die werkelijkheid valt het woord van de prediking als zaad in de akker.

Hoe valt het daar? Het is de grote vooronderstelling bij de preek dát er wat te zeggen valt, dát het Woord van God ergens op slaat. Het “zal niet vruchteloos tot Mij terugkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zend” (Jes. 55:11, HSV). Dat is Woord van God zelf. Een geweldige belofte, die vraagt om een groot geloof. En dat wordt aangevochten. Bij de hoorders en bij de prediker. Hoorders en predikers die hierover geen aanvechting kennen, zijn gezegende mensen. Het kan ook dat zij oogkleppen voor hebben om niet te hoeven zien.

Tegen de stroom in

Is de preek nog wel van deze tijd: zo’n monoloog door één man of vrouw vanaf de – vaak – hoge kansel in een tijd van multimediale communicatie, die zo veel mogelijk interactief is. Is preken niet per definitie autoritair?! De postmoderne westerling reageert allergisch op de man of vrouw die anderen zegt hoe het zit, met een claim van absolute waarheid. Deze allergie wordt nog versterkt wanneer het religieuze waarheidsclaims betreft, per definitie oncontroleerbaar, maar tegelijk met gezag op leven en dood.

Er is ook minder heftige scepsis, die zeker zo serieus te nemen is. Werkt de preek nog? Is deze vorm van godsdienstige praxis niet te zeer verbonden met en gebonden aan een voorbije culturele fase?  Is de enorme terugval van het kerkbezoek niet een keihard bewijs van dit vermoeden?

Scherp aan de wind zeilen

Wij zetten een vraagteken bij de, ook binnen de kerk, vaak geuite mening dat een preek, zo’n monoloog van pakweg vijftien tot vijfendertig minuten, in onze tijd niet meer zou kunnen als communicatiemiddel. De maatschappelijke praktijk bewijst het tegendeel. Toespraken doen het nog altijd, en ze doen er op beslissende momenten toe. De populariteit van TED-toespraken is daarvan een voorbeeld. De impact van toespraken bij specifieke gelegenheden als herdenkingen in het publieke domein is een ander signaal van de kracht van de toespraak. Dat is niet alleen iets van het verleden, maar geldt ook nu.

Dat vraagt echter wel dat wie het woord neemt in de publieke ruimte scherp aan de wind moet durven zeilen. Algemeenheden of vaagheden worden afgestraft.. Maar het juiste woord op het juiste moment op de juiste plaats blijft goud op de zilveren schaal (Spreuken 25:11).

Herbronning en koerswijziging

Wel moet er fundamenteel iets veranderen, wil de bestaande praktijk versterkt door kunnen gaan. Preciezer gezegd: wij moeten iets wezenlijks terugvinden, iets wat onderweg verloren is gegaan bij de preek in de protestantse traditie. Dat is de theologische, homiletische, liturgiewetenschappelijke en ook communicatieve betekenis van de eenheid van de dienst van Woord en sacramenten. Het bewustzijn van die eenheid is in de loop van de tijd weggeëbd uit het geloofsbewustzijn van de protestantse kerken. De protestantse kerk werd een woord-kerk.

Het zicht op de sacramentaliteit van de preek, en daarmee de gelijkwaardigheid aan het sacrament van de eucharistie verdween. Ook om de eenvoudige reden, dat die evenwaardigheid van Woord en sacramenten, van preek en maaltijd, niet meer zichtbaar en voelbaar was in de kerkdienst en het script van de liturgie. Een belangrijke lijn in het boek ‘Ontvouwen’ is het herwinnen van het zicht op het sacramentele karakter van de preek. Met die blik kijken we naar de preek in de kerkdienst, en zien we hoe de relatie van prediking en eucharistie de preek zelf verandert en versterkt.

Als het geloof ‘uit het gehoor’ mag zijn (Romeinen 10:17), dan blijft investeren in spreken én horen van belang en voedt dat de vreugde van hen die een Goede Boodschap brengen en beluisteren.

Reageren ?